Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij selt mijn tinne werk ou altemaal weer geven, Of jij selt 't, ik sweer 't, beklagen al jou leven. Otje:

Geeft mijn mijn schilderij, boor jij wel, ouwe knecht?

Geeraart: Doen ik u ongelijk, so spreekt m'n an met recht. Jasper:

2100 Jij, Susannes boef, onthou je mijn tapijten,

Mijn gout-leer en mijn goet, soo sal ik jou doot

smijten.

Geeraart: Dat leg ik in kennis, ik neem u tot tuig, mijn Heer. Schout:

Swijgt allegaar, weest stil, het is u meerder eer; 't Zijn keuren van de stad, wie sal se anders maken? 2105 Ik ra u eens soo stout, dat gij hem an sout raken: Vervecht noch en verpraat u goede saken niet, 't Waar beter, dat gij lui het an de Heeren liet. Sluit op, en daar mee voort, ik ra u niet te kijven.

Geeraart: Wel an, Heer Notaris, tijt wakker an 't beschrijven.

(Sij toeken in 't leege huis). Jasper:

2110 Daar speurt de nikker mee; het heele huis is leeg. Balich:

0 akkermenten, o doot! gants wongden, dat 's gien

deeg!

2099 Met recht : in rechten.

2100 Susannes beef: ouwe liefhebber.

2101 Smijten: slaan.

2102 Dat leg ik In kennis: daar neem ik getuigen van met de bedoeling om later een aanklacht in te dienen.

2103 Het is u meerder eer: dat staat je beter.

2105 Ik ra a eens zoo stout: ik zou wel eens willen zien dat je daartoe den moed had.

2108 Sluit op: open de deur.

2109 Ttft: tijg. begin.

2111 Eenige basterdvloeken. — Dat 's gien deeg: dat valt niet mee.

Sluiten