Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schout: 2140 Wel, dat is goet bescheit!

Notar is:

Wel, dat is soet, mijn Heeren! Dit relaas is genoeg, om u te kon tenteeren, Al was u schuit en eis noch andermaal soo {groot. Van sijn Vaar, van sijn Vaar, o mijn, ik lach m'n doot! (Els Kals, Iut lans en Trijn Snaps uit). Els Kals:

Mijne Heeren, met verlof, de jongen is onschuldig;

2145 Och, hij is simpel, slecht, onnoozel en eenvuldig,

Dus bidden wij, dat gij sijn jonkheit doch verschoont, En ook heeft hij niet lang bij dees sijn Heer gewoont, Daarom weet hij niet meer van dese saak te kallen, Als gij of ik, of ook als iemant van ons allen.

2150 Des daags kwam hij bij ons en klaagden ons sijn noot. Iut lans:

En dan kreeg hij van ons somtijts een stikje broot, Of eenig ander spijs, na dat het was geschapen, Dan ging hij in sijn huis voort bij sijn meester slapen: De knecht weet nergens van, ai lieve, laat hem gaan, 2155 Die jongen het gien schuit, daar wil ik borg veur

staan.

Schout:

Maar, vrouwtjes, weet je 't wel? daar zijn veel loose

guiten,

Die anders zijn in 't hert als sij schijnen van buiten, Het is een argen schalk vol slimme potterij. T r ij n:

Heer Schout, het is een jool.

2140 Soet: aardig.

2141 Kontenteeren: tevreden te stellen.

2145 Simpel, slecht, eenvuldig: er zit geen kwaad haar in.

2146 Doch : toch. 2148 Kallen: vertellen.

2152 Na dal hel was geschapen: al naar de omstandigheden.

2158 Polterij: schurkenstreken.

2159 Jool: goeie lobbes.

Sluiten