Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geeraart:

2220 Goeden dag, Byateris, nu wil ik mijnder wege gaan, Ik mag deinken: mijn huis dat het soo lang leeg estaan. Adieu, buurtgens, vaart wel, en deinkt op t geen

gij siet:

Al siet men de lui, men kent se daarom niet. Els:

Hoe dikwils wert den mensch door schoone schijn

bedrogen!

2225 Het schaat mijn buur-man niet, hij is groot van

vermogen.

Iut:

Maar die de arme lui so diefs gewijs strijkt deur, Die wensch ik ook een bast na Keiser Kareis keur. Indien hier iemant is, die meent, dat wij hem raaken, Wij sullen 't na sijn sin veranderen en vermaken,

2230 Bij so verr* dat sijn jonst ons maar de vrientschap doet, Dat hij ons seit en schrijft, hoe dat men t stellen moet.

Robbeknol: Mijn Heeren, wie gij zij*, heeft u dit spel behaagt? So gij u geit en tijd in geener wijs beklaagt, So toont 't ons met vreugt, en doet mij alle na,

2235 En soo 't u wel gevalt, soo roept een-stemmig JA.

Volmaakt in 't jaar 1617, in April ^ ^^£rq 'tKanverkeeren

2221 Ik mag deinken: laat ik het er maar voor houden, dat.

2224 Wert: wordt.

2226 Strükt deur: bedriegt.

3 !S« ii'lSJrrfttu *. * »—*

meent, dat we toeapeüngen op hem maken. 2230 BV » verr': voor zoo ver ten «ninate als. - Jonst: gunat

Sluiten