Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45. MAYSCHE MORGENSTOND.

D. R. Camphuysen. Rustig.

Dies is de tijd weerom gekeert, Waar in natuur verjonkt, Haars milden scheppers goetheijd eert En met zijn gaven pronkt.

5.

De Maij, wiens zoetheijd zo ver strekt Dat zijn gedachtenis

In 'smenschen geest al vreugd verwekt, Eer hij voorhanden is.

De Aard is met gebloemt geciert, Het Bijken gaert zijn was, Het Leeuwerikjen tiereliert En daalt op 't nieuwe gras.

Het bloempje dringt ten knoppen uyt, 't Geboomte ruygt van lof, i) Het Veetjen scheert het klaverkruyd Graag van het veldjen af.

8.

Elk Diertjen heeft zijn vollen wensch En quelbegeert leijdt stil, Behalven in den dwazen Mensch Door zijn verkeerden wil.

Ach! had de Mensch (zoo waar zijn standz)

Vol hert en zinnenvreugd)

Of, zonder deugde, min verstand,

Of, bij 't verstand, meer deugd!

Ach, waren alle Menscnen wys En wilden daerbij wel — De Aard' waar haar») een Paradys; Nu is ze meest een Hel.

') Is ruig door het (uitbottend) loof. *) Toestand, staat. *) Hun.

Sluiten