Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaar werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door een haastigen priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging alle nanoenen slenteren langs de Hooge Stad, gejaagd drillend door de straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels, welke hij met goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels te versieren. Maar hij nam zijn rond palet niet meer op. Hij liep de Hooge Stad rond en daalde

Sluiten