Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek, geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij die opbultten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte kousen en eischte dat, om het algemeen efièkt niet te breken, Johan Doxa lage espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met een kelnerpitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.

— «'t Is wèl alzoo, » zei hij, achteruitwijkend, « nu uw kop! »

Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa en bekroonde zijn werk met een ietwat

Sluiten