Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij was de bolwerken omgeloopen en * kwam nu, te laag, bij de Molenbeeksche vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.

Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...

Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne handen heeft geschoeid. levers heeft Johan Doxa dien witten man onder een scheef - onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht eens even! Waar was 't alweer ?...

De witte man schuift rap over de

Sluiten