Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij verachtte zijn baardelooze kin.

Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel gebracht. Men hing een dampig kaarslantaarntje aan zijne hand, en wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt ?

Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaarn uit.

Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest een varende snoer van gedachten.

— «Ik geloof niet, » mijmerde hij, • dat er voor mij in dees Klooster eene uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het droge brood, dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het pompwater ?

Sluiten