Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johans's venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een paterhovenier er over. Zijn rozige schedel was gepolijst.

Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.

— « Hee-la ! » riep hij luid.

Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug. Daar zag hij een rossen capucien op de zulle van zijn celletje staan.

— « Goeden morgen, » zei de capucien minzaam, « ik ben de pater-hotelier. »

Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan, plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale

Sluiten