Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootte. De capucien stond goud-ros als een najaars-middag. Zijn kastanjeoogen blonken in een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen. De capucien was dik en wel te pas.

— « En wat zoudt ge nu willen eten ? » vroeg hij.

— « Willen eten ?... Ha! willen eten, zegt gij... »

— «Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best, moet ik zeggen. »

Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte gedwongen, al peinzende : « dat is een geestige keukenbroeder, die aardige namen aan zijn pompwater geeft. »

Sluiten