Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne hand weer uit den zak. Die hand — wat vatte ze zoo struisch daar ? Ik zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag... Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het sehot brak los, hard en geweldig... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter...

« Ha, jongen, 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier, stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem, was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbei, traag, van zwaarte... »

Sluiten