Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den zachten doolaar.

Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog, mijn goede Antoon...

De heete koffie had ons opgeknapt, maar wc vertrokken beladen met iets als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen dienstmeisjes, die

Sluiten