Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de gebroken drempelzulle bloot. Ik kende die zulle goed. Hoe dikwijls liep ik er lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde !

Juist — maar hoe kommervol thans ! — wilde ik de goede zulle betreden, als daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.

— « Wel mijn jongen, » zei ze frisch (ze droeg een jakje en een versch schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf) « wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been! »

Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens. De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog :

Sluiten