Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET SCHR1JVERKE.

(GYRINUS NATANS).

O krinklende winklende waterding,

met 't zwarte kabotseken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink

al schrijven op 't waterke gaan! Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,

al zie 'k u noch arrem noch been; gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,

al zie 'k u geen ooge, geen één. Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?

Verklaar het en zeg het mij, toe! Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,

dat nimmer van schrijven zijt moe? Gij loopt over 't spegelend water klaar,

en 't water niet méér en verroert dan of het een gladdige windje waar,

dat stille over 't waterke voert, o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, —

met twintigen zijt gij en meer, en is er geen een die 't mij zeggen kan: —

Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer ? Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,

gij schrijft, en 't is uit en 't is weg; geen Christen en weet er wat dat bediedt:

och, schrijverke, zeg het mij, zeg!

Sluiten