Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorbij alwaar hem 't herte jaagt, voorbij waar klinkend goud hem plaagt; maar uw geluid verstaat hij niet, o mijn beminde ruischend riet!

Nochtans, o ruischend ranke riet,

uw stem is zoo verachtliik niet!

God schiep den stroom, God schiep uw stam,

God zeide: „Waait!..." en 't windje kwam,

en 't windje woei, en wabberde om

uw stam, die op en neder klom!

God luisterde... en uw droevig lied

behaagde God, o ruischend riet!

O neen toch, ranke ruischend riet, mijn ziel misacht uw tale niet: mijn ziel, die van den zeiven God 't gevoel ontving, op zijn gebod, 't gevoel dat uw geruisch verstaat, wanneer gij op en neder gaat: o neen, o neen toch, ranke riet, mijn ziel misacht uw tale niet!

O! 't ruischen van het ranke riet weêrgalleme in mijn droevig lied, en klagend kome t voor uw voet, Gij, die ons beiden leven doet! o Gij, die zelf de kranke taal bemint van eenen rieten staal, verwerp toch ook mijn klachte niet: ik! arme, kranke, klagend riet!

Sluiten