Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wever zingt, zijn' webbe deunt *); de la klabakt, t getouwe dreunt; en lijzig varen de spoelen neen, in 't garen.

Zoo zit er, in den zomer zoel, een, werpende, op den weverstoe] van groene blaren, zijn duizendverwig garen.

Wat is hij: mensche of dier of wat? Vol zoetheid, is 't een wierookvat, daar Engelenhanden, onzichtbaar, reuke in branden?

Wat is hij? 't Is een wekkerspel, vol tanden fijn, vol snaren fel, vol wakkere monden van sprekend goud, gebonden.

Hij is... daar ik niet aan en kan, een' sparke viers, een' boodschap van veel hooger' daken als waarder menschen waken.

Horktl Langzaam, luide en lief getaald, hoe diep' hij lust en leven haalt, als uit de gronden van duizend orgel monden!

Nu piept hij fijn, nu roept hij luid'; en 't zijpzapt hem ter kelen uit, lijk waterbellen, die van de daken rellen.

*) Schudt, trilt.

Sluiten