Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Drijft dan maar, gij dunne staven, die den landman *t leven wint;

laat de zonne uw' lenden laven zoetjes, en den zomerwind!

Hei, daar valt er volk te peerde, losgetoomd, in 't veie x) groen;

donker diept het neer naar de eerde, zoo in zee de schepen doen.

Volgende elk den andere, varen ze, elk gevolgd, in 't volle veld;

't zonnelicht beglanst de baren van dit rennend rosgeweld.

Schielijk, in de lucht ontkomen, zijn de ridderen weg: 't en speelt

niets meer in de vrije vromen, dat de zware zee verbeeldt;

Stille is 't nu: de zonne vonkelt deur de wolken, blij en blank;

milde lacht het al en monkelt in en om mij, lief en lang.

Ach! 'k En gave om al het schoone,

dat de heldere zonne ziet, — Vlanderen, Vlinderen spant de kroone,

neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!

') Welig. *) Glimlacht.

Sluiten