Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zonne grijpt al vaster nu de trappen aan des luchtgebouws: ter zege vaart ze, hooge en blij; geen boom die heur weerbarstig zij!

Zij giet, dat elk het merken mag, bij geuten, vier en werkzaamheid den bossche in: dweersche balken gaan, vol speitend licht, den bodem slaan.

Het mosch, het loof, het blinkend hout, de takken, zware of lijze, loopt zij lustig laven: — heerlijk is verwonnen weêr de duisternis.

Verwonnen zij de dood, en al dat duisternisse of boosheid heet, door 't Licht van U, die, tallertijd verwinnende, onver wonnen zijt!

Sluiten