Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gaat, kijkt ernaar entwie 1),

die oogen heeft, en staat er

een stonde wijlend bij,

daar zunne valt en water; en toogt mij dan tapijt, of legwerk, of 't zij wat, dat kunstiger gewrocht, en schoonder, is als dat!

Laat mieren nu daarbij,

daarin, daaroverhenen,

of muggen reppen hun'

'tzij hooge of leege schenen; laat vlerken, hel als glas, vol regenboogsch gepraal, daarbij zijn, ach, hoe schoon, hoe lief is 't altemaal!

't Leeft overal entwat:

't zij op, 't zij onder 't vloeien

der waters; op de veurst*)

gezaaide blommen bloeien; de pannen, levenloos 'n zijn zij; noch in 't stroo van t schamel dak en weunt het schamel blomke noo.

't Zijn spatten in den wand, 't zijn gerren 8) in de pelen *) der boomen, daar hun spel de varentjes in spelen,

die, boom- en wortelvast, nog tieren in den schoot, die, jaren leên, is hout-

en stam- en worteldood.

l) Iemand. *) Dakvorst. *) Spleet. *) Pel, schors.

7

Sluiten