Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het gulden vlies, dat Jason zoeht, en reeuwroofde *) op het wangedrocht, aanschouwe ik al mijn leven lang, als wangeloove en kwenenzang *).

Maar 't geen alhier, aldaar gestrooid, den weg dien ik nu ga vermooit, dat menigvuldig boomverlies, voorwaar dat is mij 't gulden vlies.

Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt doorschoten van den zonneschicht, onmeetbaar, verre, één schapendracht van ooi en wol le en lammervacht.

Een kleed is 't, als van engelkens, van louter liefdebengelkens, die zijde en wolle en gouden blaan doen liggen, daar ze spelen gaan.

Het rilt, bij eiker schree, die 'k doe; het roert en 't ruischt, 'k en weet niet hoe; en 't riekt, alsof er reuke fijn van amber uit zou dampend zijn.

't Is scherenstijd, in 't houtgewas; geen stap mij ooit zoo zoet en was als dien ik eens, in Ipersteê, deur de afgevallen blaren deê!

*) Reeuwroof — lijkroof. *) Kwene = oud wijf.

Sluiten