Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een, dorschschuur bestaat uit vakken, of tassen of golven, waarin de oogst wordt geborgen, en den dorschvloer, die behalve voor het dorschen, ook dient voor doorrid, berging van wagens en reiniging van zaden.

De grootte van de schuur wordt bepaald naar vroeger gemelde gegevens. De hoofdafmetingen zijn wel deze: de vakken zijn breed van 5 tot 7 Meter, diep van 6 tot 9 Meter en bij voorkeur niet hooger dan 7 Meter onder den bintbalk.

De vloer van de vakken is meestal niet verhard, of het moest een laagje aangestampte leem zijn. Alleen, wanneer na het dorschen de ruimte voor hulpstalling moet dienen, is een betonvloer gewenscht.

De plaats van den dosrchvloer hangt af van de streek waar de schuur wordt gebouwd, het kan zijn een langsvloer of een dwarsvloer.

De langsvloer kan nog langszij liggen, of midden door de vakken, ook wel dubbel voorkomen. De dwarsvloeren kunnen nog met langsvloeren worden gecombineerd.

De voordeden van dwarsvloeren zijn wel deze:

1. De gebinten kunnen beter constructief verband met de schuur behouden, door de geringere breedte wordt de schuur goedkooper.

2. Bij het dorschen is beter gelegenheid tot ventilatie, en de locomotief blijft buiten staan.

3. Er kan gelijktijdig op meerdere plaatsen geladen of gelost worden, dorschen en reinigen kan worden gescheiden.

4. De dwarsvloeren kunnen ook zelf gevuld worden, waardoor de ruimte geheel wordt benut. O. a. is dit het geval met de schuren in den Wilhelminapolder, waar achtereenvolgens alle vakken worden gevuld, elk vak vertoont in- en uitridschuifdeuren (plaat V, fig. la en 16). Deze schuur kan de opbrengst van 80 H.A. tarwe bevatten.

De voordeden van de langsvloeren zijn de volgende:

1. De granen kunnen beter worden gesorteerd, en verschillende vruchten kunnen gelijktijdig worden gedorscht.

2. Er gaat geen bergruimte verloren in de vakken zelf, terwijl bij regenachtig weer een gemakkelijke bergplaats wordt gevonden voor den geladen wagen.

3. Het geheel is overzichtelijker, alleen zijn lange vloeren in het midden wat donker en blijft het stof tijdens het dorschen hangen. Hiertegen kan men enkele dwarsdeuren aanbrengen, met ramen in de zijwanden, desnoods bovenlichten.

4. Het verplaatsen van de dorschmachine met locomobiel geschiedt gemakkelijker.

Ligt de langsvloer midden door de vakken (N. W. N. Brabant), dan zijn meestal de verlichting en de ventilatie slecht; en ondervindt men bij het dorschen last van het voederen, en omgekeerd, wanneer onder het schuine dakvlak naast den

Sluiten