Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pannen, waarvoor als regel geen dakbeschieting noodig is. Alleen in de onmiddellijke nabijheid van de groote deuren is wel eens voorziening tegen opwaaien gewenscht, b.v. asphaltpapier onder de pannen, of de pannen aan de panlatten vast te zetten. Is de bedekking dicht, b.v. van dakvilt (fig. 2), dan zijn plaatselijk ventilatiekappen noodig, bij breede en diepe schuren wel eens uitgebreid tot doorgaande lucht-, tevens lichtkappen, waardoor een goede verlichting ten allen tijde gewaarborgd is.

Het meest gebruikelijk is de gebintconstructie (fig. 4a), waarbij de gebinten de dragende kern vormen en daarom solide met schoren worden verzwaard. Gevaar voor opwaaien van de schuur bestaat hier niet, evenmin voor zijdelingsche verplaatsing. Daarom wordt dikwijls verzuimd om de gebintstijlen te verankeren aan de fundeering.

Een eenvoudige pen- en gatverbinding met de voetplaat ontbreekt zelfs menigmaal, en plaatst men de stijlen meestal direct op de voeringen.

Zooveel mogelijk wordt aan de schuur rond hout verwerkt.

Uitstekende deelen, waardoor het graan niet meer vrij zou kunnen zakken, moeten vermeden worden. Zelfs ijzeren trekstangen zijn niet tegen dezen druk bestand; of ze moeten zoo zijn aangebracht dat ze bij het voltassen van de vakken vrijgehouden kunnen worden.

Bij smalle schuren, die over de volle breedte gevuld worden (fig. la), worden schoorwerken aangebracht waarbij tusschenstijlen kunnen ontbreken. Breede schuren (fig. 3) waarbij de middenbeuk gebruikt kan worden als doorrid, kunnen ook geconstrueerd worden met vrije doorvaartruimte voor transportinrichtingen (fig. 3 schuur op Lactaria). Hierbij moet tusschen den hanebalk en den vloer elke hindernis vermeden worden; reden waarom in bestaande schuren deze werktuigen niet altijd met succes kunnen worden toegepast.

Doordat soms zeer zware vrachten moeten worden vervoerd, en de eigenlijke gebintconstructie is verbroken, behoeft het geen betoog, dat het bovenste gedeelte van den kap degelijk moet worden samengesteld.

De transportinrichtingen, die ook in ons land hier en daar toetoepassing vinden, hebben deze voordeelen, dat de oogstwagens in zeer korten tijd kunnen worden gelost, wat bij afwisselend weer van groot belang is, terwijl geen ruimte verloren gaat, die anders voor een doorrid moet worden opgeofferd. Daartegenover staat, dat niet meer zoo nauwkeurig kan worden gevlijd, en hooi en granen meer kubieke bergruimte vereischen dan anders het geval is.

Het meest treden op den voorgrond de volgende inrichtingen:

1. Die, waarbij de oogstproducten in beperkte hoeveelheden, met grijpen etc, door middel van een loopkatrol over de volle lengte van de schuur kunnen worden vervoerd (systeem „Alfa").

2. De elevatoren, die ononderbroken de schoven naar boven voeren, waarbij de .transportinrichting aan een der langszijden van de schuur is opgesteld, terwijl

Sluiten