Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeveer 0,50 Meter boven het maaiveld; zoo mogelijk bevindt zich de uitmonding binnen op ongeveer 2/3 van de stalhoogte en wijst deze met een hoek van + 45° naar binnen. Beide openingen zijn afsluitbaar met gaas, tegen vervuiling. De ingemetselde luchtkanalen kunnen ook plaatselijk dienst doen als muurverzwaring (fig. 8), terwijl men zich in bestaande stallen zal kunnen behelpen, door in de hoeken een bochtstuk met opgaande buis aan te brengen (fig. 7).

In breede stallen en ook daar waar principieel bezwaar wordt gemaakt tegen het feit, dat de aangevoerde versche lucht de opstijgende dampen uit de mestgoot passeert, kan men den aanvoer ondergronds doen plaats hebben (fig. 9a en 9b), zooals dit op de Model-boerderij „Oud-Bussem" is toegepast. De leiding buigt hier eenige malen om, zoodat de wind hier ook weinig invloed op heeft.

De toestand moet feitelijk ook zoo zijn, dat de aanvoer wordt geregeld door den afvoer, en beide naar de behoefte. Wanneer de bedorven staldampen in voldoende mate kunnen opstijgen, dreigt vanzelf een iuchtverdunning in den stal, waardoor automatisch de versche lucht wordt ingezogen (fig. 10).

De afvoer van de staldampen geschiedt door middel van ventilatiekokers. Evenals bij schoorsteenen wordt een goede afvoer het beste verzekerd, wanneer de kokers zoo hoog mogelijk reiken, liefst boven den nok van het dak.

Tevens moet het materiaal een slechte warmtegeleider zijn, omdat de staldampen bij afkoeling neerslag vormen tegen de wanden van den koker, en de afvoer wordt belemmerd door het grooter soortelijk gewicht. Houten kokers worden daarom dubbelwandig gemaakt (fig. 11, 13& en 16), en de tusschenruimte opgevuld met droge, poreuze, slecht warmtegeleidende stoffen, als turfmolm en zaagsel of lucht; eventueel omwonden met strookoord (II, fig. 3).

Ook ronde kokers van aardewerk of metaal kunnen op deze wijze worden beschermd (fig. 15 en 18ö).

Een kleine overkapping dient teg2n inregenen; benedenwaarts gerichte windstooten kunnen evenwel nog niet altijd worden verhinderd. Wel worden deze opgevangen door een plafond, dat op eenigen afstand (I, fig. 11, 136 en 16) onder de kokeropening hangt, en de kracht en de richting van de windstooten breekt.

Uit het gevaar voor deze windstooten vloeit evenwel de noodzakelijkheid voort, om de kokers steeds boven mest- of voedergang te plaatsen, ook omdat condensatie, dus neerdruppeling, nooit geheel buitengesloten is. Dit condensatiewater kan evenwel worden afgevoerd door een aparte buisleiding, die b.v. boven de grup uitmondt.

De afvoer kan ten allen tijde geregeld worden door kleppen of schuiven (fig. 11 en 16), die door een gewicht aan een neerhangend koord over een kleine schijf in eiken gewenschten stand kunnen worden gesteld; zijn ze van zink, dan zullen ze altijd goed functionneeren.

Sommigen maken bezwaar tegen den stand van de jalouziekleppen onder den ventilatiekap, omdat in plaats van een zuigende werking door den er door strijkenden wind, er een verwarming zal optreden. Laat men deze jalouziekleppen

Sluiten