Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemakkelijk. De koeien beschikken van voren over minder standbreedte dan achter, wat aan de lichaamsvormen en behoeften beantwoordt.

De voederplaats neemt weinig ruimte in beslag, de mestgang naar verhouding te veel. De toestand wordt evenwel ongunstiger wanneer meer dan ongeveer 30 koeien worden gestald, dan zal de bouw te duur gaan worden. Ook is deze vorm niet voor uitbreiding geschikt, wat bij de rechthoekige stallen gemakkelijk gebeurt, zonder dat het type verloren gaat.

Wel heeft men in ronde stallen weinig last van vliegen, omdat er geen doode hoeken aan de zoldering voorkomen.

De stal doorsneden loopen zeer uiteen, al naar de aanwezigheid van tusschenstijlen en de behoefte om al of niet hooi boven de koeien te bergen. Ontbreekt de zoldering, dan is toch een plafond gewenscht (fig. lb, lc) om niet den ventilatiekoker direct in den stal te laten uitmonden. De zoldering kan dan doorloopen over de volle breedte (fig. ld), of het vee kan beschut staan onder de hilde (fig. lc) waarboven telkens voor een korten tijd hooi in voorraad wordt geborgen. Houdt men de zijwanden laag zoodat de ramen daar weinig effect leveren, dan kan de kap een sprong vertoonen (fig. ƒ) waarbij lichtramen en jalouziën voor ventilatie elkaar afwisselen. Vooral de voedergang wordt hierdoor intensief verlicht.

De vloeren worden meestal gedeeltelijk van metselwerk of van beton gemaakt. Beton is glad en laat zich gemakkelijker reinigen, het is het aangewezen materiaal van voedergang, grup en mestgang. Metselwerk is minder koud, vandaar dat de veestand dikwijls gemetseld wordt, ofschoon bij flinke strooiing dat bezwaar voor beton vervalt. Om een zachten stand onder de voorbeenen te krijgen, wordt daar de vloer wel verdiept, en er een laag leem, klei of plaggen opgebracht die af en toe vernieuwd dienen te worden. Zeker moet onder de voorbeenen de vloer toch waterdicht zijn, ter vergemakkelijking van de ontsmetting bij besmettelijke ziekten. Asphaltvloeren geven een warme ligplaats, en worden in modelstallen vaak gebruikt.

De stand behoeft bij melkvee maar een geringe helling te vertoonen, wanneer het laatste derde gedeelte van den stand b.v. 1 a 2 c.M. helt, is de gierafvoer toch gewaarborgd. Te groote helling van de geheele standlengte kan in sommige gevallen nadeelig werken voor zwaar drachtige koeien. Dit laatste derde gedeelte wordt meestal gemetseld, omdat anders te veel lichaamswarmte wordt onttrokken, ook met het oog op strooverspilling.

De mestgang vertoont geringe helling naar de grup; terwijl de voedergang iets bol kan staan, en aan weerszijden vóór langs de voedergoot van een ondiep gootje kan worden voorzien tot afvoer van spoelwater.

Het hoogteverschil tusschen mestgang en voedergang (waardoor het vee „meer toont") moet in de dwarsgangen geleidelijk overwonnen worden; traptreden zijn in een stalvloer altijd hinderlijk.

De voedergoten dienen zoowel voor het verstrekken van hooi, stroo en krachtvoeder, als meelspijs en drinkwater. Zij moeten glad zijn, om gemakkelijk

Sluiten