Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoongemaakt te kunnen worden. Hoeken en spleten moeten ontbreken, evenals scherpe kanten. Het voeder mag er niet in kunnen trekken, en het vee moet ook niet aan de bakken kunnen knagen. Daarom is beton het aangewezen materiaal, ook voor den knieboom. Verder moeten zij dicht en niet te klein wezen. Hout wordt alleen toegelaten in loopstallen, waar jongvee uitsluitend hard voeder krijgt (VI, fig. 1); blijft de mest lang liggen, dan maakt men de bakken verstelbaar (fig. 2 en 3).

Worden de goten gemetseld, dan zal men ze toch afpleisteren (fig. 4 en 5). Bakken van natuursteen worden bij nieuwbouw zelden meer toegepast. Zij zijn niet geheel waterdicht, en meestal plaatselijk aangebracht, waardoor wel elke koe de voor haar bestemde portie krijgt, maar de reiniging te wenschen overlaat, even als bij de (al of niet geëmailleerd) ijzeren bakken die wel in debetongoten worden ingelaten. Doorgaande goten verdienen altijd aanbeveling, omdat men ze zoo gemakkelijk kan doorvegen, wat bij het drenken dan eenige malen daags plaats vindt.

De goten worden in Limburg hoog gemaakt (fig. 5), gecombineerd met den langen stand, waarover later meer. Algemeen zijn evenwel de lage goten (fig. 4, 5 en 6), hoewel er wel verschil bestaat omtrent de hoogte van den voorrand. Vreest men voor overstorten van het voeder, zooals in de meststallen van de Z. H. eilanden, dan wordt de voorrand wel eens 0,75 Meter hoog, De gootbodem krijgt een zoodanigen vorm, dat het voeder gemakkelijk terugzakt. Is de voorrand laag en afgeschuind, dan kan het overgestorte voeder gemakkelijk worden ingeveegd, wat bij een steilen voorrand moeilijk gaat (fig. 6 en 7).

Goten van geglazuurd aardewerk, die in een betonbodem worden gevlijd (fig. 7), bevorderen in hooge mate de reinheid en verdienen een ruime toepassing.

De bevestiging van het vee geschiedt aan ringen, die in den muur zijn verankerd (fig. 5) of over de stalpalen glijden, en wel met behulp van touwen en kettingen, leeren halsband en ijzeren halsbeugel. Beweging naar voren of achteren, of van links naar rechts, blijft mogelijk.

In de grupstallen staat het vee meer aan de plaats gekluisterd, wanneer de halsbeugel of klaaf van weerszijden slechts van een korten ketting is voorzien. Het is dan mogelijk, wanneer de stalpalen b.v. 0,30 Meter van den knieboom staan, om het vee zóó kort aan te binden, dat het wel uit de goot kan eten of drinken, maar niet met de voorpoten daarin kan stappen, noch te ver op den stand kan mesten.

De houten stalpalen steken in vierkante ijzeren busjes die in den vloer zijn ingelaten en zitten van boven vast aan den houten schoftboom, die ongeveer 1,50 Meter boven den vloer achter langs de stijlen loopt. Holle ijzeren stalpalen worden in den vloer ingelaten en liefst van boven gekoppeld door een doorgaande buis (fig. 4 en 7). De ringen, waar de halskettingen aan vastzitten, kunnen los over de stalpalen schuiven, maar beter is het om ze ongeveer een halven Meter

Sluiten