Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stel kunnen1 slechte zelden hierin volkomen voorzien. De hooiluiken boven de koeien dienen tegelijk voor afvoer van de staldampen, maar geven veel stofl Ook wordt hef hooi wel van achter de grup aangebracht, wat zeker tot verliezen aanleiding geeft". In vele oudere stallen is de veestand hoog en de zoldering laag; de laatste soms niet meer dan 2 Meter; De veestand is dikwijls 2,40 tot 2,55 Meter lang, de mestgang ongeveer 2J00 Meter breed; ja stallen met een totale breedte van 4,50 Meter komen voor. Twee aan twee staan de koeien tusschen houten schotten, vastgezet met een koptouw aan muur of schotje, en een zeeltouw aan den hals om te beletten dat zij te ver naar voren zouden gaan. Nauwlettend toezicht is noodig om de koeien goed te kunnen verzorgen.

De grup is zelden meer dan 0,50 Meter breed, maar soms 0,65 tot 0,70 Mieter diep achter' den veestand. Standplaats en mestgang verschillen soms 0,45 tot 0,60 Meter in hoogte, wat het voederen en drenken bemoeilijkt en het afstappen van vee zeer gevaarlijk maakt.

Om het uitglijden van* het vee irr de grup te voorkomen, wordt een zoogenaamde „mistred" aangebracht (fig. 4). De standplaats is meestal gemetseld, onder de achterbeenen komen dikwijls houten of betonplaten voor.

De standbreedte is 2,10 tot 2,25 Meter, wat nauw is wanneer men rekent dat de schotjes feitelijk de beschikbare breedte nog verminderen.

De schotjes worden wel kort gemaakt om het vee de gelegenheid te geven de achterbeenen te kunnen strekken. Per koe mag men in dit geval wel op een breedte van 1,15 tot 1,30 Meter rekenen.

De bezwaren welke tegen dit staltype worden geopperd, zijn hoofdzakelijk deze:

1. Het licht van voren is schadelijk.

2. De ventilatieluiken boven de koeien veroorzaken tocht, overigens is de kubieke luchtruimte veel te klein, en de temperatuur meestal te hoog, de ademhaling tegen de koude muren is nadeelig.

3. De staldampen tasten het hooi in de vakken aan.

4. De combinatie van mest- en voedergang veroorzaakt voederverliezen, en verzwaart den arbeid; het toezicht op het vee is gebrekkig. De scheiding van voeder- en mestgang zou de zindelijkheid en de spaarzaamheid bevorderen. Door het ontbreken van een voedergoot komt veel voeder onder de koeien terecht.

5. Voor 't geval dat er brand ontstaat zijn er veel te weinig deuren; de hooge standen en de manier van bevestiging maken het redden van den veestapel onmogelijk.

6. Het afvoeren, van de gier over de groote lengte van de grup veroorzaakt vele verliezen.

In Groningen staat het vee meestal met de koppen; naar den binnenmuur. Verlichting en ventilatie kunnen nu beter uitvallen. Overigens blijven de meeste bezwaren bestaan.

In Noord-Holland plaatst men wel mestschotten achter de grup om het bevuilen van den mestgang tegen te gaan.

Sluiten