Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor de gewone -werkpaarden Joopen de standafmettingen wel iets uiteen, al naar men te doen heeft met 'het langere, -.slanke Oldenburgsche ras, of het meer gedrongen zware paard.

Ook geeft het verschil Qf de paarden van elkaar gescheiden staan.

Vooral vaste standafscheidingen eischen eenige meerdere standbreedte, hoewel de manier, waarop de paarden gaan staan of liggen hier gunstiger istdan bij het rundvee.

Gemiddeld rekent men op een «Btandbreedte va» 1,35 tot 1,60 Meter; zonder de krib bedraagt de standlengte 2,50 tot 2,75 Meter. De breedte van de krib bedraagt 0,50 tot 0,60 Meter, die van de goot 0,25 tot 0,35 Meter, terwijl de mestgang minstens 1,50 Meter breed moet zijn.

Te samen komt men tot een minimum-breedte van een enkelrijigen stal van 4,75 rtot 5,00 Meter, wanneer het voeder van buitenaf wordt -ingebracht.

Op kleine boerderijen, waar men maar een enkel paard houdt, krijgt de stand meestal een breedte van 2,50 Meter, om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.

Dubbelrijige stallen moeten een breedte hebben van minstens 11 tot 12 Meter.

Staan de paarden twee aan twee tusschen vaste schotten, dan is de gezamentlijke breedte minstens 3 Meter, wanneer men door het wegnemen van den latierboom den dubbelen stand tegelijk .voor box dienst wil laten doen.

Heeft men met dwarsrijen te doen, dan is de totale breedte niet onbeperkt, wanneer het licht van terzijde moet invallen.

De stalhoogte bedraagt 3,00 tot 3,50 Meter; zeer groote stallen vertoonen een hoogte van minstens 4,00 Meter. Wanneer, zooals dikwijls voorkomt, de zolder hoven den paardenstal als graanzolder dienst doet (omdat de stallucht minder vochtig is dan in melk- of mestveestallen), is het soms overbodig om «hiervoor plafonds aan te irengen, die in rundveestallen niet mogen ontbreken.

De solder wordt gedragen door stijlen of kolommen, die in de tusschenwanden worden ingewerkt en van hout worden gemaakt, rustende op steenen voetingen, of van gegoten ijzer. Of wel zij dienen tegelijk als constructief onderdeel van .de standafscheidingen, of de latierboomen worden er aan opgehangen. De steenen voetingen moeten het optrekken van vochten verhinderen, terwijl de stijlen daar solide in worden verankerd, met het oog op de krachtig ontwikkelde achterpooten van onze edele viervoeters.

De eenvoudigste standafscheiding .is wel de lat ie/boom (IX, fig. 1 en 3). Deze is meestal van eikenhout, heeft een middellijn van ongeveer 13 c.M., en een lengte van 2,00 tot 2,25 Meter. Tegen hel knagen wordt het voorste gedeelte meestal met plaatijzer beslagen.

Latierboomen hangen zelden meer dan 1,00 Meter boven den vloer.

Tegen ihet slaan worden zij voorzien van slagplanken (fig. 1 en 3), wat niet noodig is, wanneer om den anderen vaste schotten voorkomen, of halve schotten aanwezig zijn (fig. 3), waardoor verschil van opinie over mijn en dijn vaak wordt voorkomen.

Sluiten