Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontbreken de stijlen, dan volstaat men met z.g. sweefboomen (fig, 2), die aan touwen of kettingen hangen. Het overtollige zweven kan worden belet door den ketting ook aan den vloer te verankeren.

Doorgaande schotten leveren meer doeltreffende afscheiding (fig. 4); in luxe stallen worden deze nog van slagmatten voorzien.

Deze schotten zijn meestal geheel van hout (fig. 5) of rusten in een |J-ijzer en een leuning-ijzer (fig. 6), waarin het getraliede bovenstuk dan kan worden bevestigd, dat meestal in den vorm van een zwanenhals wordt afgewerkt. Deze scheenen worden dan eenerzij ds aan de schotkolom bevestigd, anderzijds in den muur verankerd. Hierdoor kunnen de paarden elkaar wel zien, maar niet hinderen, terwijl de verlichting der standen niet te zeer wordt belemmerd. De hoogte aan het boveneinde bedraagt ongeveer 2,00 Meter (fig. 4), aan het benedeneinde 1,25 tot 1,50 Meter.

Constructief is het beter om de beplanking verticaal te stellen; met het oog op beschadiging is een horizontale stand verkieslijker. De vaste wand kan ook van beton worden gemaakt (X, fig. la en lc), waarbij de eindstijlen dan onderling gekoppeld kunnen worden.

Dikwijls beschadigen de paarden neus of liezen aan uitstekende punten, waar de latierboomen aan opgehangen worden; deze moeten steeds worden afgerond en van veiligheidsinrichtingen voorzien (fig. 7, 8, 9, 10 en 11), voor het geval, dat de paarden over den boom heen komen te staan, of eronder liggen en niet overeind kunnen komen.

Deuren zullen, voornamelijk in boxen voor hoogdrachtige paarden, van buikrollen kunnen worden voorzien (fig. 12a en 12b).

Voor de verlichting rekent men wel op Vio tot »/», van het vloeroppervlak; luxe paarden hebben hieraan vanzelf nog grooter behoefte dan werkpaarden.

De gier van de paarden vloeit zeer traag en wordt voor het meerendeel door het stroo geabsorbeerd. De vorm van de goot moet er op ingericht zijn, dat de afvoer toch goed kan plaats hebben. De diepte mag niet te groot zijn (fig. 13 en 14), omdat te groote helling van den stand voor drachtige dieren gevaar kan opleveren. Met het oog hierop moet de standlengte ook wat ruim worden gekozen; dan komt de vaste mest ook niet in de goot te liggen.

Voor merriestanden wordt de gierafvoer voldoende bevorderd, wanneer het laatste derde gedeelte van den vloer eenige helling naar de goot vertoont; voor ruinen zal alleen het voorste derde gedeelte vlak behoeven te zijn (X, fig. lc). Overdekte goten worden afgekeurd, wegens de kans op vervuiling. Goten in de lengterichting van de standen zijn ook al zeer nadeelig voor de paarden.

Tegen het stampen met de zware hoeven moet de vloer van degelijk materiaal worden gemaakt. Onder de voorbeenen worden wel houtblokken gebruikt, maar verder zijn metselklinkers aangewezen. Een versch gemetselde vloer zal niet altijd weerstand kunnen bieden, al wordt hij door een betonlaag of vlijlagen gedragen. Dikwijls volstaat men de eerste jaren met een bestrating, die telkens opgehaald, en later definitief gemetseld wordt.

Sluiten