Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hol uitgestreken langsvoegen bevorderen nog het afvloeien van den gier naar de goot.

De voederinrichting .n vertoonen een groote verscheidenheid van vormen; hoewel voor vast voeder meer dan voor drinkwater.

Het drenken vindt meestal plaats per emmer. Hiermee heeft men het in de hand om het paard te laten drinken wanneer en hoeveel men wil.

Met de automatische drinkbakjes ondervindt men wel bezwaar, dat bezweet thuiskomende werkpaarden te schielijk groote hoeveelheden water verzwelgen, tenzij men de deksels afsluitbaar maakt. De bakjes moeten niet zoo hoog zijn als de kribbe, moeten liefst niet hooger zitten dan 0,70—0,75 Meter boven den vloer, en gedeeltelijk onder de krib neigen (X, fig. lc en XI, fig. 2b). Wordt de plaats wat moeilijk bereikbaar, dan bevordert dit de spijsvertering. In dit opzicht is het ook beter om geen drinkbakken in of op de voederkrib aan te brengen.

Doorgaande goten op den vloer onder de krib hebben dit bezwaar, dat de randen aan beschadiging worden blootgesteld en de drinkgoot aan vervuiling. Voor een geregelde reiniging ligt deze goot al zeer ongelegen; voor schrikachtige paarden kan deze plaats ook tot pijnlijke gewaarwordingen aanleiding geven.

Meestal wordt hooi en stroo gevoederd via de ruif. De ruifspijlen kunnen zijn van hout (3x3 cM. doorsnede), of van rond ijzer (1 cM. middellijn). De houten spijlen staan 12 cM. h. o. h.; de ijzeren 10—11 cM. uit elkaar. Wordt in den winter b.v. boonenstroo verstrekt, dan maakt men wel plaatselijk een lossen stijl, die met een houten klos tusschen de naaste stijlen wordt opgeschoven, om mogelijk te maken dat ook dit stroo kan worden verorberd.

Wordt uitsluitend hooi gevoederd, dan is een vrije ruimte van 8 cM. tusschen de spijlen dikwijls al voldoende.

Schuin naar binnen wijzende ruifspijlen (X, fig. 4) geven aanleiding tot een ongemakkelijke houding bij het eten; dan trekt het paard er een hap uit en treedt terug om het te verorberen. Hierbij gaat nog al wat voeder verloren, en valt er veel stof in de oogen.

Beter zijn de verticale spijlen (IX, fig. 2); of wanneer de ruif dan te klein wordt, wat bij werkpaarden al gauw het geval is, kan men beter de opgebogen ijzeren spijlen nemen (IX, fig. 1 en X, fig. 2).

De vorm hangt er verder van af, of de klap aan den voedergang wat verder mag uitsteken, wat niet altijd het geval is met het oog op de passage op den dorschvloer.

Hoe lager de ruif reikt, hoe gemakkelijker de houding van het paard. De ruifboom mag daarom niet hooger reiken dan 1,45 Meter. Dit staat in nauw verband met de klep, waardoor de haver in de krib wordt gestort (IX, fig. 1 en 2).

In luxe stallen, maar ook al in goed ingerichte stallen voor werkpaarden, plaatst men de ruif op de kribtafel (X, fig. la en lb). Gaat men nog verder, dan kan de ruif in de kribtafel worden ingelaten (X, fig. 5 en 7). Staan de paarden met de

Sluiten