Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te kunnen afvoeren, moet de vloer naar het midden hellen. Wordt er zwaar gestrooid of turfstrooisel gebruikt, dan wordt de gemetselde vloer wel geheel vlak gehouden.

Bekende hengstenhouders geven er de voorkeur aan om de vloeren uit te graven, en daarop een laag klei of leem van ± 45 c.M. aan te brengen. Dit wordt goed vastgestampt, b.v. door er jonge paarden over te jagen, en dan bedekt met een laag zand van ± 20 c.M., waarover een dikke laag stroo. Elke week wordt de mest verwijderd, en nieuw stroo toegevoegd. Zoo noodig wordt ook de zandlaag vernieuwd.

Om te voorkomen dat waardevolle hengsten zich tegen de wanden schuren, loopt de vloer over een breedte van 40 c.M. en 40 c.M. hoogte rondom tegen de wanden op. Ook kan men daartegen nog een omgaanden boom hangen, ter hoogte van ±1,10 tot 1,20 Meter, waar de paarden evenwel niet met de pooten tusschen mogen geraken.

In principe kunnen de voederinrichtingen in boxen dezelfde zijn als voor werkpaarden gebruikelijk, hoewel dan meestal meer lucratief ingericht (fig. 2a en 2b).

Renpaarden, veulens en hengsten hebben evenwel soms de dartelheid om met de voorbeenen in de rib of de ruif te gaan staan. Dan kan het veiliger zijn om b.v. in de hoeken kleine, massieve, kwartcirkelvormige haverbakken aan te brengen, en elders de hooiruif te plaatsen. Ook wordt het hooi wel in een hoek op den grond gestrooid, waarbij natuurlijk wel kans op verliezen bestaat.

Wanneer waardevolle paarden in aparte gebouwen gestald worden, mogen sommige nevenruimten niet ontbreken. Een tuigkamer dient gescheiden te worden van de stalruimten, evenals een voederlokaal. Met het oog op te wachten geboorten moeten soms slaapplaatsen voor stalknechts ingericht kunnen worden. In het voederlokaal of op de zolders is meestal daarvoor wel een ruimte afgescheiden.

Een ziekenstal kan in dit geval ook niet gemist worden, hoewel die dan beter elders kan worden gemaakt. Het verdient zelfs aanbeveling om wanneer er bezoek komt, en een koetspaard tijdelijk moet worden gestald, met het oog op besmetting dit dier een apart plaatsje te geven, b.v. in de quarantainestal (V, fig. 5), die geheel van de overige stalruimte moet worden gescheiden.

5. Varkensstallen.

Nog heerscht bij velen het waanbeeld, dat varkens het beste zullen groeien te midden van vuil en mest. Geen wonder, dat op een drukke boerderij de reiniging van de varkensstallen dan het eerst van al zal worden overgeslagen.

Toch eischt een varken ook zonlicht en warmte en een droge luchtige verblijfplaats.

Meestal brengt men de dieren in aparte gebouwen onder, in verband met de vrij sterke lucht, die in de stallen hangt, of wel men zorgt er uitdrukkelijk voor dat de ruimten zoo ten opzichte van elkaar zijn gelegen, dat het andere vee van dezen stank geen hinder ondervindt.

Sluiten