Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen plafond en nok van het dak. Plaatselijk, midden tusschen de ventilatiekokers, komen dan de luiken waardoor de staldampen kunnen opstijgen.

Ter wille van de veiligheid bestaan de deuren uit boven- en onderdeur. Door de bovendeur 's zomers open te zetten kan nog wat meer worden geventileerd, en blijft men toch voor ontsnapping e. d. gevrijwaard.

Het zonlicht moet in alle hoeken kunnen doordringen. In de lage muren kunnen geen ramen worden gemaakt, daarom brengt men meestal daklichten aan (zie fig. 2). Ligt de nok in Noordelijke richting dan worden alle hokken op hun beurt beschenen. Ook deze dakramen dienen 's zomers voor luchtverversching.

Het is niet gemakkelijk om op te geven, hoeveel ruimte men per varken noodig heeft. Wanneer een koppel biggen wordt gemest, blijven zij bij elkaar tot zij afgeleverd worden.

Een drachtige zeug blijft meestal in hetzelfde hok, nadat gezinsvermeerdering heeft plaats gehad. Ook maakt het verschil, hoeveel varkens er in het hok komen ; terwijl de meeste hokken op hun beurt allerlei soorten van varkens zullen huisvesten.

Men rekent wel eens dat een zeug met biggen een hok noodig heeft met een breedte van 2,25—2,50 Meter, en een diepte van 2,50—3,00 Meter.

Een beer heeft zeker genoeg aan een ruimte van 2,50 x 2,50 Meter.

In zoo'n hok kan men ook wel 2 of 3 drachtige zeugen plaatsen.

Loopvarkens b.v. 3—6 maanden oud, en hiervan 6—8 bij elkaar, eischen een hok van 3x3 Meter; een even groot aantal volwassen mestvarkens een hok van 4x4 Meter.

Een tweede factor is de beschikbare troglengte. Eten de varkens alle tegelijk, dan varieert de noodige troglengte van 0,20—0,45 Meter per varken, al naar den leeftijd. Hieruit volgt ook, dat men bij een groot aantal mestvarkens eer de breedte van het hok zal doen toenemen dan de diepte; alleen moet men hierbij ook weer rekening houden met den maxialen spantafstand.

De wanden van de hokken worden het meest in metselwerk opgetrokken ter dikte van een halven steen. Hout is niet tegen knagen bestand, en is daarom ook minder geschikt voor tusschenwanden. Toch wordt het er vaak voor gebruikt; beter zijn planken van gewapend beton. Deze scheidingswanden zijn minstens 1 Meter hoog, desnoods met omgaande ijzeren stangen verhoogd. Bij beerenhokken maakt men de wanden liefst 1,50 Meter hoog.

Zeugen zijn niet altijd even vriendschappelijk tegenover elkaar gestemd; vandaar dat de wanden massief worden. Plaatselijk komen soms kleppen of schuiven voor, die toegang verleenen tot z.g. biggenhokken, d.z. kleinere, smallere hokken, waarin de biggen bijgevoederd kunnen worden.

De wanden zijn aan de onderzijde dikwijls van z.g. omgaande bigbeschermers voorzien, om het doodliggen van de biggen door het massale moederlichaam te kunnen voorkomen. Deze ijzeren stangen of zware houten latten liggen 0,20—0,25 cM. boven den vloer en even zoover uit de wanden.

Veelal wordt in de hokken weinig gestrooid. De waterdichte vloeren kunnen

Sluiten