Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze ruwen (waaraan dan de kribben bijna altijd zijn bevestigd) kunnen enkel zijn of dubbel, al naar de plaats tegen den muur, of midden in den stal; verder vast of verplaatsbaar, met het oog op de opstapeling van den mest. Dan nog onderscheidt men langs- of korfruiven, wat in verband staat met de mindere of meerdere breedte van den stal. Zoogenaamde korfruiven gebruikt men in de weide (lig. 6), wanneer in het voorjaar nog bijgevoederd moet worden, en vaste korfruiven in den stal, waar, zooals hg. 5 laat zien, ze rondom de stijlen staan gegroepeerd die de zoldering helpen dragen.

Verplaatsbare ruiven hebben het voordeel dat de mest overal gelijkmatig kan worden vastgetreden en bevochtigd. Bij ronde ruiven kunnen alle schapen er gemakkelijker tegelijk terecht en wordt hinderlijk dringen voorkomen door de grootere ruimte aan den buitenomtrek. Alleen kunnen het sta-in-den-weg's zijn bij het mesttransport.

Ruiven moeten zoo zijn gebouwd, dat het hooi steeds naar beneden kan zakken en de schapen altijd gemakkelijk kunnen eten (fig. 2a en 2b). Om te beletten dat er stof in de oogen komt of in de wol blijft hangen, neemt men de ruifspijlen minder steil (fig. 3) en van dekplanken voorzien, soms verticaal (fig. 4). Ronde ruiven worden op een of andere wijze van een kegel voorzien (fig. 5 en 6), waarlangs het hooi afglijdt.

De spijlen kunnen van hout worden gemaakt en zijn dan rond en 3 cM. dik; of van ijzer en dan 10 tot 15 mM. dik. Zij laten een onderlinge tusschenruimte van 6 tot 8 cM.

De kribben worden tegen het afknagen wel met zink of plaatijzer beslagen, en zijn zelden meer dan 25 cM. breed en 10 cM. diep.

De benedenruifboom, waarin de ruifspijlen staan geplant, ligt 40 tot 50 cM. boven den vloer. De bovenste boomen 0,80 tot 0,90 cM. en zijn soms van opzetstukken voorzien.

Men rekent bij langsruiven per volwassen schaap op een lengte van 40 cM., bij jaarlingen op 30 cM. en voor lammeren op 15—20 cM.

Met het oog op de stabiliteit en de mogelijkheid van verplaatsen worden de ruiven zelden langer dan van 3 tot 5 Meter. Dubbele ruiven krijgen zelden grooter breedte dan 50—65 cM.

Wanneer een ronde ruif ± 1,50 M. middellijn vertoont, en men per schaap op 40 cM. kriblengte rekent, zal elk dier aan den buik over 65 cM. ruimte beschikken, wat een groot voordeel is voor hoogdrachtige schapen.

Voor het drenken neemt men slechts zelden afdoende maatregelen; meestal staan er enkele waterbakken in den stal, of gevulde emmers buiten de staldeur, waar de schapen moeten passeeren. In grootere stallen zou een zelfreguleerende drinkwatervoorziening stellig zeer op zijn plaats zijn.

Aparte voederplaatsen ontbreken daar, waar de schapenhouderij slechts een onderdeel van het bedrijf uitmaakt; ook mangelkelders en hooizolders. Is in een aparten schapenstal een dichte hooizolder aanwezig, dan moeten ventilatiekokers

Sluiten