Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeelte ter lengte van 0,65 M. vlak ligt, en het laatste derde gedeelte flauw helt naar een smalle ondiepe goot, loopt de urine vanzelf af.

De schotjes tusschen de standen behoeven niet langer te zijn dan 0,80 M. en meten een hoogte van 0,75 M. om de dieren van elkaar te kunnen scheiden, voornamelijk wat het uitzicht betreft. Een mestgang van 0,75 M. zal in de meeste gevallen wel voldoende zijn.

Door de groote beweeglijkheid der dieren verdient het bouwen van kleine boxen aanbeveling. Alleen moet men er voor zorgen dat geen uitstekende punten of vlakken het klimmen in de hand werken, omdat anders de wanden hooger genomen moeten worden.

Fig. la en lb (PI. XV) geeft de plattegrond en doorsnede weer van een eenvoudig geitenstalletje, waarbij alle details in voldoende mate zijn verzorgd. De eenvoudige kapvorm, met het staande glas op het Zuiden, maakt goede verlichting mogelijk, terwijl de valramen in de eindgevels ventilatie over den voedergang toelaten.

Door de combinatie van voeder- en mestgang, wat in verband met den afvoer van de droge meststoffen geen enkel bezwaar heeft, wordt de ruimte ten zeerste benut. De zijramen behoeven niet hooger te zijn dan 1,50 M., om te beletten dat de gehoornde dieren het riet tusschen de sparren beschadigen. Hierbij sluiten dan de omgaande wanden van de boxen ter zelfder hoogte aan.

Een breedte van de box van 1,50 M. en een lengte van 1,90 M. is voor een melkgeit voldoende. De gierafvoer heeft hier plaats aan de achterzijde van elk hok, naar een klein verzamelputje.

Ruif en voederbakje zijn van hout gemaakt en zoo geplaatst, dat het voederen gemakkelijk kan plaats hebben. Wel bestaat bij deze eenvoudige constructie de kans dat de dieren met de horens tusschen de spijlen verward geraken, of met de voorpooten in het voerbakje gaan staan. Toch moet deze inrichting voor de houders van enkele geiten meer dan voldoende worden geacht.

Hoogere eischen stelt men bij den bouw van fokstations, waar zeer waardevolle dieren worden gehouden en in verband met het belang van de fokkerij in een bepaald gedeelte van het land ook wetenschappelijke proeven moeten kunnen worden genomen.

Fig. 2 stelt voor de situatie van een ontwerp-fokstation. Het hoofdgebouw (1) wordt geflankeerd door de geitenstallen (2 en 2{). De bokken worden in een afzonderlijk gebouw (3) gehuisvest, waarin de noodige quarantaine-stallen (4 en 5) zijn geprojecteerd. Mestvaalt en gierkelder (6) met dekplaats (7) en hooiberg (8) completeeren met de dubbele arbeiderswoning (9 en 9j) het bouwplan.

Het hoofdgebouw is gedeeltelijk op grooter schaal weergegeven (fig. 3a), terwijl de details van de stallen met boxen verder blijken uit de doorsneden (fig. 3b, 3c en 3d).

Hoewel de hoogte van bovenkant ruifboom en rand van het bakje op 0,50 M. kan worden aangehouden (wat in fig. lb ook is geschied), verdient het aanbeveling

Sluiten