Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bij hem in gebruik zijnde pluimveeschuren weg te breken en daar een zeer lang voorstuk tegen aan te brengen, dat door gaas afgesloten werd, zoodat het geheel een diep, laag gebouw werd, met een geheel open voorzijde.

Nu konden de zonnestralen ruimschoots binnentreden, nu ook behoefden de hoenders hun rusttijd niet in een bedorven atmosfeer door te brengen; maar tegelijk waren ze, ook in hun nachtverblijven, zeer aan den invloed van de weersgesteldheid blootgesteld en al spoedig leerde de praktijk, dat deze invloed dikwijls een zeer nadeelige was, alleen verschillend in graad, naarmate de hokken, hetzij door een verschil van klimaat, hetzij door plaatselijke gesteldheid, meer of minder gunstig gelegen waren.

De eerste verbetering werd aangebracht door P. T. Woon, die een paar vensters boven in de zuidzijde van het eigenlijke nachthokgedeelte plaatste, waarna anderen hem weer volgden door telkens die wijzigingen aan te brengen, welke in het gebruik van het systeem noodzakelijk bleken te zijn, met het gevolg, dat het tegenwoordige ToLMAN-hok maar zeer weinig meer op het oorspronkelijke gelijkt.

Om de hoenders tegen den nadeeligen invloed van de weersgesteldheid te beschermen, ging men het hok al dieper bouwen, waardoor het ten laatste een log geheel werd, daardoor ook moeilijk verplaatsbaar.

Langzamerhand drong het toen tot de fokkers door, dat de voordeelen, welke het gewijzigde ToLMAN-systeem bood, minstens even goed, zoo niet beter bereikt konden worden in een stal, welke in de praktijk zeker even goed zou voldoen, ook al door gemakkelijke verplaatsbaarheid, wanneer een wisseling van terrein voor de hoenders of om eenige andere reden wenschelijk werd.

Om tot een nieuw systeem te geraken, moest men zich geheel van het ToLMAN-hok-idee losmaken en een oplossing gaan zoeken in een richting, waarin de voor een semi-intensief systeem noodige voorwaarden in een zoo goedkoop mogelijken vorm ondergebracht konden worden, terwijl het geheel ook gemakkelijk verplaatsbaar zou moeten zijn.

Het semi-intensieve systeem. Met de ontwikkeling der pluimveeteelt waren de fokkers ook tot het inzicht gekomen, dat, wilde men van de in hoenders aangefokte eigenschappen zooveel mogelijk voordeel halen, ze een verblijf moesten hebben, waarin ze zich ook konden ophouden bij minder gunstige weersgesteldheid, zoodat in dat geval het verblijf voor hen tegelijk als woon-, eet- en slaapruimte dienst moest kunnen doen. Het behoeft zeker geen betoog, dat dit systeem hooge eischen aan den stal stelt, niet alleen wat ruimte, maar vooral ook wat ventilatie en verlichting betreft.

Ruimte kan men winnen, door de slaapplaats der hoenders aan te brengen boven de mestplank, welke den mest opvangt, waardoor de ruimte daaronder des nachts niet door mestval verontreinigd wordt en dus ten volle als loopruimte gebruikt kan worden, terwijl daardoor ook nog verkregen wordt, dat bet reinigen van den stal minder arbeid vereischt.

Sluiten