Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De landbouwwetenschap heeft uitgemaakt, dat vaste en vloeibare uitwerpselen gescheiden moeten worden bewaard; de gier dient te wprden opgevangen in een gierkelder, de vaste mest geborgen op een mestvaalt.

a. De gierkelder.

Onder invloed van bacteriewerking wordt de gier, omgezet in koolzure ammoniak, die spoedig ontleedt in ammoniak, koolzuur en water. Ammoniak en koolzuur kunnen gemakkelijk verloren gaan, wanneer er luchtstroomingen in den kelder optreden. Daarom moet de gierkelder luchtdicht kunnen worden afgesloten; en vormt zich dan feitelijk een beschermende koolzuurlaag boven het gieroppervlak. Natuurlijk moet hij bovendien absoluut waterdicht zijn.

De gierkelder moet dicht bij den stal zijn gelegen, om de afvoerleiding zoo kort mogelijk te maken; dicht bij den mestvaalt, des noods er onder (fig. 6a en 66). Ook wordt hij wel gebouwd onder den mestgang, den veestand of den voergang.

De toevoerleiding bestaat uit geglazuurde buizen, met een doorsnede van 12 c.M.

De vorm kan zijn rond of rechthoekig. De liggende putringen (fig. 2a en 2b), hoewel goed ondersteund, loopen door hun groote lengte gevaar van te scheuren; en worden daarvan, evenals de staande ringen (fig. 2). meestal voor kleinere hoeveelheden gebruikt.

De afmetingen hangen van omstandigheden en de materialen af.

De diepte wordt in hooge mate beïnvloed door den grondwaterstand; daarom wacht men meestal op de maand September, waarin de stand over het algemeen zeer laag is. De breedte hangt af van de wijze van overzolderen. Veiligheidshalve gaat men bij toepassing van segmentboog, korfboog of ellips niet gaarne verder dan een breedte van 1,60 Meter (fig. 4). Met troggewelven op ijzeren balken kan men verder gaan. De troggewelven kunnen nog gemaakt worden van een halven steen dik bij een gewelf breedte van 0,90 Meter. De N. P. balken No. 12 overspannen een breedte van 2,50 Meter, met No. 14 kan men een breedte van 3 Meter bereiken (fig. 5a, 5b en 5c). In gewapend beton kan men elke breedte overspannen (fig. 6a en 66); hoewel het, ook bij troggewelven, dan raadzaam wordt om öf een tusschendraagwand met door bogen overwelfde openingen te maken, öf een onderslagbalk met plaatselijke steunpunten aan te brengen, die het hunne bijdragen tegen het oppersen van den vloer. Het kan zelfs noodig zijn om den vloer als tegengewelf te construeeren.

Het meest gebruikelijk zijn de materialen metsel klinker, stampbeton en gewapend beton, waarmee waterdicht werk moet worden bereikt. Dikwijls zal de één-steenswand verzwaard moeten worden met een klamplaag, die tot boven den hoogsten grondwaterstand moet reiken (fig. 5a, 56 en 5c).

Als waterdichte specie zal meestal worden gebruikt een cementmortel van 1 P.C. 2'/'i zand, met een pleisterlaag van dezelfde samenstelling en ter dikte van 1 cM., en een dun pleisterhuidje van b.v. 1 P.C. l'/a zand.

Sluiten