Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een dragende schrale laag van 12 cM. dik, ter samenstelling van 1 P.C, 5 grind, 5 zand, afgedekt door een 3 cM. dikke vettere laag van 1 P.C. 3 zand, voorzien van pleisterhuid, is meestal voldoende en kan soms nog dunner worden genomen wanneer eerst een vaste onderlaag van puin is gestampt

Gemetselde vloeren komen te rusten op vleilagen in zand.

De leemen vloeren zijn niet dicht, wanneer zij met vloeistoffen in aanraking komen; afdekken met een laagje teer kan daarom gewenscht zijn. Ook dunne asphaltplaten worden wel toegepast.

Een gedeelte van de gier, die in het stroo trekt, en ook het zakwater van den mest kan nog naar den gierkelder worden afgevoerd, wanneer in den bodem een goot is uitgespaard (fig. 6a, 6b en 6c) die naar den gierkelder leidt en afgedekt wordt door een plank met gaten. Het spreekt vanzelf dat de vloer nu vanuit alle richtingen daarheen helt en dat de kelder dan ook een plaatsje onder de vaalt verdient.

Opgaande muurtjes langs de zijden verhinderen, dat de vloeistoffen, die ten gevolge van het enorme gewicht op zij uitsij pelen, aan de lucht worden blootgesteld en voorkomen dus, dat door uitdrogen mest verloren zou gaan. Ter plaatse van de uitritten kunnen betonplanken in sponningen voor de afsluiting zorgen.

De vloer ligt meestal ± 0,50—0,75 Meter beneden het maaiveld; behalve wanneer de vaalt achter de boerderij ligt en 's zomers voor melkplaats wordt gebruikt. Dan is een vlakke vloer noodzakelijk.

Het oppervlak hangt af van de grootte van den veestapel en de hoogte van optassing. Niet gaarne tast men den mest hooger dan 1,25—1,50 Meter; de omgaande muren reiken dan + 0,75 Meter boven het terrein.

Volgens opgaven levert: een paard per jaar + 10 000 K.G. mest;

„koe „ „ + 11 500 „ „ mestos . „ ± 25 000 „ „ schaap „ „ ± 550 „ „ „ varken „ „ ± 1 100 „ Bij middelmatige strooiïng rekent men globaal noodig te hebben, bij een stalperiode van een half jaar, aan vloeroppervlak:

per volwassen paard 5 M2.

„ „ koe 6 „

„ „ varken 1,5 „

Wanneer de mestvaalt tegelijk als vee-ring wordt gebruikt, dient een omheining te worden aangebracht (fig. 6b, 6c en 8), ter hoogte van 1,25—1,50 M. Meestal vormen de betonpalen hiervan een geheel met de opgaande betonmuren.

Moet het jongvee bij winterdag altijd op de vaalt verblijven, dan dient een kleine overkapping te worden aangebracht (fig. 8), waar geschuild kan worden tegen weersinvloeden en waar gelegenheid bestaat tot bijvoederen.

Of een overkapping over een mestvaalt gewenscht is, is lang een strijdvraag geweest. Wel kan iets meer stikstof worden bewaard, maar gevaar voor uitdrogen

Sluiten