Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Zeeland evenwel is de doorgaande dwarsvloer (zie fig. 2) gebruikelijk hoewel het bezwaar van uitrijden over de mestvaalt blijft klemmen.

Alweer dient elke dwarsvloer (1) om daarmede de zolders boven de stallen, en de naastbijgelegen vakken (2) te vullen.

De ligging van de stallen varieert; ook die van het wagenhuis en de graanzolder of pijzel. In dit voorbeeld ligt de remise (3) aan het uiteinde, de koestal (4) tusschen twee dwarsvloeren in; wat ook met een der paardenstallen (5) het geval is. De eene langs-paardenstal kan ook vervangen worden door een jong- of mestveestal; terwijl voor de paardenfokkerij steeds eenige standen voor jonge paarden of veulens (6) worden gereserveerd. Omdat de veulens toch in den regel vrij laat in den winter worden geboren, en eenige vakken dan zeker leeggedorschen zijn, kunnen deze tijdelijk voor merrieboxen worden ingericht en moeten daarvoor van een dichten vloer zijn voorzien.

De graanzolder kan boven den paardenstal of het wagenhuis zijn gebouwd ; maar wordt ook dikwijls buiten de gebintstijlen van eenige van de vakken afgenomen. Dan is het gebruik om het graan in afgezonderde bakken te bewaren, en eenige zolders boven elkaar te bouwen.

Overigens bestaat er zeer veel variatie, wat de onderlinge indeeling der verschillende bedrijfsruimten betreft. Over het algemeen laat de afwerking der details zeer veel te wenschen over.

De groote mestvaalt (8) wijst op het nut van groote hoeveelheden stalmest. Toch is de bewaring verre van volmaakt, en mankeert in vele gevallen onder het mestputstraatje (7) nog de gierkelder, die daar zijn aangewezen plaats vindt.

Bij enkele van de nieuwste boerderijen heeft schijnbaar (zie fig. 3) de dwarsvloer plaats moeten maken voor den langsvloer. Toch is dit maar schijn. De op hoogen trap van ontwikkeling staande paardenfokkerij stelt hoogere eischen aan de huisvesting en de voedering. De lange voedervloer (1) buigt om in een korten uitridvloer (2); maar de vakken (3) worden gevuld met behulp van de groote inriddeuren, die elk vak als het ware tegelijk weer tot een dwarsvloer maken.

Het laatste vak is ingericht als kelder (4), waarboven een kippenhok. Daar tegenover ligt het lokaal voor voederbereiding (5), waarboven een doorgaande graanzolder. Hierbij sluiten de paardenstallen (6) aan, afgewisseld door boxen (7) voor veulenpaarden of hengsten. Koestallen (8) completeeren de rij, waarbij nog eenige stierenboxen (9) aanwezig zijn.

Toch zijn dergelijke boerderijen nog niet als typen te beschouwen; zij komen slechts zelden voor. Feitelijk is de paardenfokkerij hierbij niet als aanvulling van het landbouwbedrijf te beschouwen, maar mag men eer het omgekeerde aannemen; er bestaat er dan volop reden om geheel met het Zeeuwsche type te breken, en liever modern ingerichte paardenstallen te bouwen, die geheel van de oogstopslagplaatsen zijn gescheiden.

De drinkwatervoorziening is dikwijls lastig met het oog op het brakke grond-

7

Sluiten