Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de eene zijde liggen twee slaapkamers (2), aan de andere een opkamer (3) w. o. de provisiekelder. De waschplaats of geut dient tegelijk voor melkbewaarplaats.

Aan de eene zijde van den deel (5) bevindt zich de koestal (6); daartegenover de varkensstal (7), die bij uitbreiding van het bedrijf gemakkelijk in een jongveestal kan worden veranderd, en de paardenstal (8).

Het gebruik brengt hier mede dat het gezin 's zomers in den stal huist; de schoftboom wordt dan plaatselijk weggenomen en de veestand voor een gedeelte (9) met een houten vlonder belegd; waartoe men de hilde laat zakken. (Dit gebruik komt ook in de kleistreken van Utrecht en het aangrenzende gedeelte van Zuid-Holland wel voor, en berust op het zindelijkheidsbegrip van de boerin, die toch bij zomerdag de handen al vol heeft met de kaasmakerij).

Door gemis aan voldoende strooiing worden de dikke en de vloeibare mest te samen in mestbakken (10) bewaard, en op gezette tijden op het land gebracht en door de „stalen" gewerkt.

In het Westelijk gedeelte van Utrecht komt het voorlaatste type ook wel voor in de gemengde bedrijven, en wordt daar de „Hoogelandsche" boerderij genoemd. Dit in tegenstelling met de koeboerderij, die dan de „Laaglandsche" boerderij heet, en aansluit bij de kaasbedrijven van Zuid-Holland.

De hilde komt hierbij nog vrij talrijk voor, hoewel die, behalve voor de berging van wat krachtvoer en gereedschappen, alleen nog maar dient voor beschutting van het vee tegen tocht; maar door de lage ligging voor den stal niet altijd verbetert.

Deze hilden gaan evenwel ontbreken, hoe verder men Zuid-Holland binnenkomt; hoewel, en dat is het eigenaardige, men oorspronkelijk vast bleef houden aan de oude gebintconstructie. Wel werd plaatselijk op de balken wel eens wat stroo geborgen. In tegenstelling met de oude Overijsselsche en Geldersche boerderij, waarbij de staldampen door den hooivoorraad en het graan moesten ontwijken naar het doorlatende rieten dak, zijn ventilatiekokers hier van ouds bekend, al was het dan in den oorspronkelijken vorm van de steeds zeldzamer wordende „kistluiken". Bij vriezend weer moest dan de stroozolder de binnenvallende koude weren.

Hoe meer westelijk men komt, hoe meer de Zuid-Hollandsche boerderij zich in een bepaalde richting gaat ontwikkelen. Toch is van de zeer oude gebouwen langs den Rij n, in de Vlist, enz. de verwantschap met de Geldersche en Overijsselsche^ejtferijen nog duidelijk in verschillende details te onderkennen.

Op (Plaat XT) geeft fig. 1 een zeer oude Hollandsche kaasboerderii weer, bestaande irir--voorhuis (1), met steenen vloer en houten vlonder (2), waar bij winterdag het gezin verblijft en 's zomers de kazen worden bewaard; verder de opkamer (3) w.o. de kelder. De keuken (4) loopt over de volle breedte van het woonhuis door en dient voor wasch-, stook- en kookplaats, voor de kaasmakerij en voor zomerverblijf. Ook is er nog wel eens een klein vertrekje afgescheiden, waar het gezin de maaltijden gebruikt.

De koestal (5) is van een hilde voorzien; hier sluit onmiddellijk de hooiberg

Sluiten