Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stroo geborgen, en bergt men ook allerlei gereedschap wat alleen 's zomers van noode is.

In de bijschuur zijn het wagenhuis (11), de brandstofloods (13) en eenige loopstallen van jongvee (12) en veulens (14), benevens de varkensstallen (15) ondergebracht.

Een totale lengte van 60 Meter en meer is van dergelijke goed ingerichte boerderijen geen zeldzaamheid. Zoo ooit, dan zou hierop de naam ā€˛langgeveltype" van toepassing zijn.

c. Het Langgevel-type in haar verschillende vormen.

In de provincie Noord-Brabant vindt men boerderijen van uiteenloopende vormen, meestal karakteristiek oud en slecht. Ondanks de moderniseering, die nog pas op bescheiden schaal wordt toegepast, kunnen de oorspronkelijke hoofdvormen bewaard blijven; zij het dan dat met de staltypen absoluut dient te worden gebroken. Ook hier n.1. heeft de potstal na hardnekkigen strijd afgedaan, al zal het nog vele jaren duren eer de laatste verdwenen is.

De ligging van den potstal beheerschte vrijwel de onderverdeeling in secundaire vormen, die evenwel bij de goede stalinrichting gehandhaafd konden worden en elk in bepaalde streken ingeburgerd zijn gebleken.

Plaat XIII fig. 1 stelt voor een boerderij uit het land van Cuijk. Achter den brandmuur van het woonhuis, bestaande uit kamer (1), opkamer (2), woonkeuken (3) en lokaal voor voederbereiding (4) ligt de stalruimte, die vroeger geheel potstal was en waarbij de koeien achter den dwarsvoedergang stonden aangebonden. Deze zelfde stalruimte is nu door een muur van het overige gedeelte gescheiden en als grupstal (5) ingericht.

De middenruimte (6) is voor mestbewaring gebleven en dient overigens tot loopstal voor jongvee. De gemeenschappelijke voedergang dient mede voor de varkensstallen, waarvoor een afdak is aangebouwd. Daartegenover staan de kalveren- (8) en de paardenstal (9). De indeeling is voornamelijk hierop gebaseerd dat vanuit alle stallingen de mest gemakkelijk naar een centraal punt kan worden verwijderd. De toegang naar de mestvaalt^ wordt verleend door een stel groote deuren in den achtergevel.

Boven de stallen wordt het hooi geborgen, de graanoogst in een aparte dorschschuur. Aan een graanzolder bestaat minder behoefte, doordat de rogge en haver, die aan het vee gevoerd worden, niet in groote hoeveelheden vooruit gedorscht worden.

In de Meierij van den Bosch ontbreekt meestal de dorschschuur en wordt het graan geborgen in dwarsvakken achter den potstal. De toegangsdeuren liggen dan vanzelf in den zijgevel (fig. 2).

Het woonvertrek bestaat uit: kamer (1), slaapkamer (2), opkamer (3), woonkeuken (4) en waschkeuken (5), tevens lokaal voor voederbereiding.

Sluiten