Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 6 laat zien, hoe weer alleen de koestal (5) en de varkensstallen (6) direct met het woonhuis in verbinding staan. Woonkeuken (1), kamer (2), opkamer (3) en z. g. „moos" of bijkeuken completeeren het geheel.

Hierbij is ook de ligging van den gierkelder aangegeven, en wel onder den mestgang; wat een algemeen gebruik is, ook bij verbouwingen van potstallen. Dikwijls is er dan gelegenheid om de monding van den kelder buiten den stal te brengen.

Staan de koeien in dubbele rijen dan ligt de mestgang bijna altijd in het midden. Het mesttransport is hierbij gebaat, het voederen evenwel niet. Wel kan men de verzorging van melk- en jongvee hiermede gemakkelijk van elkaar scheiden, maar het verzwaart den arbeid. Overigens laat fig. 7 zien, dat het ook wel anders kan en trouwens in het Z. Westen der provincie ook zoo voorkomt. De inrichting van het woonhuis klopt met die van fig. 5. In den stal, waar het melkvee op de korte rij (7) en het jongvee op de lange rij (8) staat, is ook het lokaal voor voederbereiding ondergebracht. Varkens (9), en ook de paarden (10) verblijven met het rundvee in het hoofdgebouw. De dorschschuur staat weer geheel afzonderlijk ; maar dient hierbij uitsluitend ten behoeve van den graanoogst.

d. Het Romeinsche type.

De grootere bedrijven in het Zuiden der provincie Limburg waarbij wordt aangenomen dat zij nabootsingen zijn van de oorspronkelijke Romeinsche versterkingen, munten wel uit door schilderachtigheid, maar helaas, is de inrichting dikwijls allerdroevigst. Plaat XIV geeft daarvan een voorbeeld, zie fig. 1 ; dit is althans een der beste van de veelvuldige vormen.

De woonvertrekken, stallingen en graanschuur zijn alle gegroepeerd om een binnenplein, dat ook aan de voorzijde door een muur is afgesloten.

Het woonhuis bestaat uit kamer (1), keuken (2) en slaapkamer (3). Het voorste gedeelte van den veestal (5) is vrijgehouden voor voederbereiding (4) en het neerstorten van het groenvoeder; de veestanden zijn van het bekende Limburgsche type, dat elders is beschreven. Behalve varkens (6) worden ook de schapen (7) afzonderlijk gestald. Een der zijden van het vierkant wordt ingenomen door de dorschschuur, waarvan twee der vakken (9) ingenomen zijn door den paardenstal (8). Op den langen dorschvloer (10) kan met behulp van den rosmolen (11) worden gedorschen ; verder is daar ruimte volop voor het bergen van wagens, en kan ook het laatste vak dienen voor het plaatsen van diverse landbouwwerktuigen.

Zooals gebruikelijk ligt de mestvaalt (12) met gierkelder in het midden, terwijl men er aan alle kanten omheen kan rijden. Voor de drinkwatervoorziening kan een groote regenwaterbak (13) in het heuvelachtig terrein niet gemist worden.

Sluiten