Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit dezen hoofde zou ik bijna geneigd zijn het stuk te dateeren na 26 September 1579, daar op dien datum de Amsterdamsche gedeputeerden ronduit in de Staten-vergadering verklaard hadden, dat Amsterdam na de meer dan' f 9000 niets meer op den honderdsten penning wilde opbrengen, noch in verdere extra-ordinaris contributies wilde bewilligen, voordat de questie der oude schulden uit den weg geruimd zou zijn, maar van plan was „de twee derdendelen daer tegens in te houden" 1).

De kennelijke tegenspraak in beide mededeelingen omtrent den honderdsten penning van 1579 moet ons niet te zeer verwonderen, daar in de Remonstrantie meer tegenspraken en zelfs feitelijke onjuistheden voorkomen2).

De dateering van de Remonstrantie laat zich ook niet vaststellen uit de zinsneden over het „aenslaen" der conventen „vuijt haeren eijghen authoriteyt tot der steede prouffijte." Het is moeilijk na te gaan, wat Oldenbarnevelt onder dat „aenslaen tot der steede prouffijte" eigenlijk verstond. Bedoelde hij er mee overeenkomsten als die getroffen tusschen de kloosters der Oude en der Nieuwe Nonnen en de gasthuizen, die dus slechts indirect „tot der Steede prouffijte" kwamen3), of had hij bepaaldelijk het oog op de transactie met het Minderbroedersklooster4)? Daar de overdrachten der nonnenkloosters al in het najaar van 1578 geschied waren, en reeds 7 Januari 1579 besloten was tot het verkoopen of verhuren van het Minderbroedersklooster, laat zich ook op deze wijze het stuk niet dateeren.

In de Remonstrantie wordt aan de nieuwe stedelijke regeering en ook aan de Amsterdamsche burgers' het recht ontzegd zich „mitte voorsz Satisfactie (te) behelpen, als bij henluijden Burgemeesteren Regierders ende burgeeren gedesavoijeert, ende niet alleen mit woorden maer oock metter

" l) Res. St. v. Holland 1579, bl. 233. V

2) Hierna, bl. 11, noot 2.

8) Hierna, bl. 211, vl.

*) Hierba, bl. 215, vl.

Sluiten