Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goedgekeurd1), kwamen, dat echter geen genade kon vinden in de oogen der Amsterdammers.

Het Amsterdamsche voorstel is ons in de papieren van Oldenbarnevelt bewaard gebleven2). De stad verklaarde zich bereid in de gemeenschap der oude schulden van Holland te treden, mits zij vrij zou blijven van den honderdsten penning van 1578 en daarenboven eene som van f200.0003) zou ontvangen. Zij wilde gemachtigd worden die som in vier gelijke jaarlijksche termijnen te mogen inhouden „aen alle extraordinaris ommeslagen ende contributien, tsij van hondersten penninghen ende andeere ommeslaegen die van nu voortaen binnen der selver steede ende die vrijheijt van dien het sij (bij) impositie van den voorsz Heeren Staten ofte vande Generale (daer vooren die voorsz Heeren Staten haer oock sterck souden maecken) sullen vallen", en voor het geval dat deze inkomsten te kort schoten aan „die andeere gemeene middeelen ende contributien, alsdan loop hebbende ende binnen der selver steede ende vrijheijt vandien vallende".

In het tegenvoorstel werd aan Amsterdam kwijtschelding van den honderdsten penning van 1578 en van de helft van de twee eerstvolgende honderdste penningen aangeboden. Dat aanbod werd door Oldenbarnevelt geformuleerd als apostille der Staten op het voorstel van Amsterdam *. „Die Staten van Hollant gesien hebbende tversouck van die van Amsterdam verclaren alsnoch dat zy persisteren bijde renunchiatie bijde gemeente van Amsterdam vande Satisfactie gedaen4), ende

1) Res. St. v. HolL 1579, bl. 119: 29 Mei nam.

2) Stukken rakende de Satisfactie van Amsterdam, 1579—1581.

8) Oldenbarnevelt schat in zijne critiek op de tweede uitspraak van den Prins van Oranje de opbrengst van een honderdsten penning in Amsterdam op ruim f 20.000 (hierna, bl. 46). Amsterdam wilde dus, behalve den honderdsten penning van 1578 nog ongeveer tien honderdste penningen binnen den tijd van vier jaar inhouden. Dat de Staten daarop niet zijn ingegaan, is begrijpelijk.

*) In de Res. St. v. Holl. staat slechts — na het aanbod — „midts dat die van Amsterdam-sullen renunchieren haer satisfactie". Res. St. v. Holl. 1579, bl. 119: 29 Mei nam. — De voorstelling, dat de renunchiatie reeds geschied zou zijn, is typisch voor Oldenbarnevelt. Hiervoor, bl. 12.

Sluiten