Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 15: Amsterdam moet meebetalen in de oude schulden van Holland1), maar zal, daar de stad „mits die sobere neeringhe die geduijerende den voerleeden oerloghe aldaer is geweest in grote schulden ende achterheijt geraect is", vrij blijven van den honderdsten penning van 1578 en zal tevens „omme te vervallen der stede schulden" van de drie eerstvolgende honderdste penningen „ofte het equivalent van dien" de helft mogen inhouden2).

De voorslag van Nicolai was dus iets gunstiger voor Amsterdam dan het tegenvoorstel der Staatsche gedeputeerden geweest was, daar de stad volgens dat laatste slechts twee halve honderdste penningen zou hebben mogen inhouden. Toch was het — gezien de geweldige Amsterdamsche verlangens — nog weinig bevredigend. Het vond bij de stedelijke regeering dan ook een slecht onthaal. Naast een antwoord aan Nicolai werd een schrijven aan de Amsterdamsche gedeputeerden verzonden, waarin de Vroedschap verklaarde, dat zij zich „tot alle billicheijt" zou willen laten vinden, „zoe verre den Staeten zouden willen commen totte somme te presenteren die byden Presiderenden Raedt eerst voortgewent es3), ende zoe nyet dat deser stede in recht zall treden" 4). Over den weinig bevredigenden voorslag omtrent art. 4 schijnt niet gesproken te zijn.

Daar de Amsterdamsche regeering het opbrengen van be-

*) Hier omschreven als: „die schulden daer inne die Staten van Hollant duerden oerloghe gevallen ende die zij alsnoch te betalen schuldich zijn."

2) In de Staten-vergadering was den vorigen dag besloten aan Amsterdam „omme alle gevoeghs wille" aan te bieden „quijtscheldinge vanden Hondertsten penningh de Anno 78, ende vande helft van drie navolgende Honderste penningen die geconsenteert sullen mogen worden". Van een origineelen voorslag van Nicolai is dus hier géén sprake.

3) Uit het door Oldenbarnevelt opgemaakte verslag der onderhandelingen leeren wij slechts den door mij meegedeelden voorslag kennen. Van dezen kan hier geen sprake zijn, daar die door de Staten zelf opgemaakt was. Welke „somme" Nicolai te voren aan de Amsterdamsche gedeputeerden aangeboden had, is dus onbekend.

*) Res. Vr. No. 4, fol. 65 en 65 v«: 20 Juni 1579.

Sluiten