Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over art. 15 van de Satisfactie zei de Prins, gehoord hebbende „de redenen ende motyven by partien ten wedersyden voir gebracht ende begerende de partien daer op int vriendelicken te accorderen", „dat die van Amsterdam van nu voortaen schuldich ende gehouden sullen syn alle ommeslagen schattingen ende contributien van penningen binnen der voorsz stede ende vryheyt van dier te laten ende doen heffen ende collecteren die in anderen steden van Hollant soe tot betalinge van oude als nieuwe schulden ommeslagen ende gecontribueert sullen worden.

Wel verstaende dat aengesien de selve stadt mits de sobere neringe die geduerende die voorleden oorloge aldaer is geweest in grote schulden ende achterheyt geraect is, so sullen die van Amsterdam binnen der voorsz stede ende der vrijheyt van dyer moghen innehouden ende vrij ende exempt blijven vanden hondersten penninck vanden jare XVC acht ende tzeveritich mits gaders oock vande helft vanden hondersten penninck des jaers XVCLXXLX.

Ende sullen (die) van Amsterdam daer beneffens oock genieten naer dexpiratie vande jegenwoordighe oorloge die somme van twintich duysent ponden van XL grooten vlaeins tpont eens, ende dat opte ierste contributie dier alsdan binnen den lande van Hollant ende de oorloghe geeyndicht synde geconsenteert ende gheheven sal worden."

Overzien we nu die eerste uitspraak van den Prins van Oranje, dan kunnen we niet anders zeggen, dan dat ze voordeelig voor de Staten en zeer onvoordeelig voor Amsterdam was. In niet te ernstige tijden zouden de Staten slechts één vendel soldaten in Amsterdam behoeven te onderhouden, terwijl verdere bewakingskosten ten laste van de stad zouden komen. De stad zou moeten meebetalen in alle omslagen, bestemd zoowel voor nieuwe als oude schulden zonder onderx scheid en ten behoeve van haar eigen groote schulden slechts ontvangen anderhalven honderdsten penning plus f20.0001)

i) f 20.000 is ongeveer de opbrengst van een honderdsten penning in Amsterdam. Hiervoor, bl. 23, noot 3 en hierna, bl. 46.

Sluiten