Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Staten ze niet zouden accepteeren, van de questie eene rechtszaak te maken ').

In het laatst van Februari 1580 koesterde de Prins van Oranje — misschien om gehoor te geven aan eene uitnoodiging der Amsterdamsche gedeputeerden of wellicht uit het verlangen de zaken in Amsterdam eens met eigen oogen te aanschouwen — het voornemen die stad te bezoeken2). Hij moest zijn plan echter opgeven wegens de verontrustende berichten omtrent Rennenberg's wankelende houding te Groningen3). Nadat hij op de zaken in het Noorden zoo goed mogelijk orde gesteld had, zonder echter den afval van den Frieschen stadhouder te kunnen voorkomen, gaf hij gevolg aan zijn aanvankelijk voornemen. 17 Maart werd hij door de Amsterdammers met vele feestelijk versierde schepen van Muiden afgehaald en naar Amsterdam gevoerd, waar hem eene schitterende ontvangst bereid werd4). Met waterspelen, illuminatie en vuurwerk werden de dagen van zijn verblijf opgeluisterd. De ondubbelzinnige sympathie, die hem van de zijde der burgerij ten deel viel, moet hem na de teleurstelling, die hem Rennenberg's afval bezorgd had, dubbel aangenaam getroffen hebben5).

!) Res. Vr. No. 4, fol. 98 v°: 28 Februari 1580. — De overgeleverde artikelen zijn ons niet bewaard gebleven.

2) Dat de Prins in Amsterdam verwacht werd, blijkt uit Res. Vr. No. 4, fol. 98 v°: 27 Febr. 1580:'de Vroedschap besloot aan Zijne Excellentie bij diens komst een geschenk van f 700 of f 800 te geven.

8) Bor, boek XIV, fol. 186.

4) Bor, boek XIV, fol. 188b. Amsterdamsen'Jaarboekje 1897, bl. 3, vl.: E. W. Moes: De blijde inkomst van Prins Willem van Oranje binnen Amsterdam in 1580.

Beide schrijvers hebben het verhaal der feestelijkheden ontleend aan een pamflet in de Koninklijke Bibliotheek (No. 530) getiteld: Incomste van den doorluchtighen Vorst ende Heere mijn Heere den Prince van Orangien, binnen der vermaerde coopstadt van Amsterdam den XVIIen Martij 1580, etc.

■') Die sympathie kwam ook tot uiting in tal van rederijkersverzen, aangebracht op de versieringen. Ondanks hun onhandigen vorm zijn ze zoo hartelijk gestemd, dat ik niet nalaten kan er hier een paar kleine staaltjes

Sluiten