Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ondertusschen vormde op de Staten-vergadering ook de Saüsfactie-questie een punt van behandeling1). Tegen het Amsterdamsche ontwerp hadden de Staten bezwaren; ze konden daarenboven de vrees niet van zich afzetten, dat de stad, nu ze bij acte van de Staten gemachtigd was tot- het inhouden van het tweederde gedeelte van alle extra-ordinaris contributies tot aan de definitieve decisie in de Satisfactiequestie, „de saecke niet (zou) vorderen." Ze besloten daarom Zijne Excellentie ernstig te verzoeken om „eyndelijck uytspraeck van de selve saecke te willen doen" -).

In de eerste dagen van April verschenen opnieuw — nu in Den Haag — gecommitteerden van beide partijen voor den Prins van Oranje 3). De Amsterdammers hielden vast aan hun concept van 26 Maart,' — in de Vroedschapszitting van 31 Maart nog eenigszins uitgebreid4) — de gecommitteerden der Staten kwamen met de mededeeling, dat de „massa vande oude schulden" vastgesteld was op „1.200.000 ponden van XLgrooten, of daer ontrent" en dat Amsterdam „inde vordere schulden"

die in vervolg van tijd onverbreekbaar vastgeraakt is met de Satisfactiequestie. Daarenboven blijkt uit de door mij aangehaalde woorden, hoe de Amsterdamsche regeering geen gelegenheid onbenut liet den Prins goedgunstig te haren opzichte te stemmen. Dat hare pogingen met succes bekroond werden, zullen we zoo straks zien. !) Bor, boek XV, fol. 197b.

2) Res. St. v. Holl. 1580, bl. 50: 1 April.

3) Deze conferenties blijken niet uit de Staten- of Vroedschapsresoluties dezer dagen. In Res. St. v. Holl. 1581, bl. 335: 12 Juli lezen we eene schriftelijke verklaring, door de Amsterdamsche gedeputeerden overgelegd, waarin zij o.a. meedeelden: „omme de welcke [= den afstand van de Satisfactie] die van Amsterdam tot conservatie van den Vrede, ende alle quaestien te eviteren, tot meermalen voor den Heere Praesiderende van den Rade Provinciael van Hollandt, tot Utrecht, ende voor syne Excellentie in den Haghe, in April Anno vyfthien hondert tachtigh, in competenten getale gecompareert zyn geweest." — De cursiveer.

4) Het concept was — na uitgebracht rapport van het verhandelde met de Staten — nog met enkele verlangens uitgebreid. Res. Vr. No. 4, fol. 107 v°: 31 Maart 1580.

Sluiten