Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewaernisse vanden castele ende steden van Muyden ende Weesp"1). .

Eene zeer uitvoerige en zeer scherpe critiek van 's Prinsen tweede uitspraak is ons bewaard gebleven in een opstel van de hand van Oldenbarnevelt2). Hij kon het den Prins niet vergeven, dat deze na zijn bezoek aan Amsterdam zoo ver was afgeweken van het standpunt, waarop hij nog in Februari in Utrecht ten opzichte van die stad had gestaan. Hij kon het niet verkroppen, dat de door hem gesuggereerde denkbeelden hadden moeten wijken voor het pleidooi van Baerdesen en Cant3). Vandaar de hatelijke opmerking, dat 's Prinsen laatste

J) Res. Vr. No. 4, fol. 116 en v»: 30 Mei.

2) „Middelen van weghen die Staten slandts van Hollandt te proponeeren jegens duijtspraecke bij Zyne Princelijcke Excellencie gedaen opte questie tusschen den voorsz Staten ter eenre ende den Burgemeesteren ende Regierders der 'stede van Amsterdam ter andere zijde gereesen." Het stuk, door Oldenbarnevelt zelf zeer onduidelijk geschreven achter en daarna (toen die ruimte gevuld was) vóór de hiervoor besproken Remonstrantie, kan door hem zijn opgesteld ten behoeve van de voorgenomen behandeling in de

~ Staten-vergadering, bijeengeroepen tegen 30 Mei. 1580. Het stuk is dus misschien opgesteld tusschen 4 en 30 Mei 1580.

Zoo blijft echter de titel onverklaard: aan wie of wien moesten deze „middelen" geproponeerd worden? Toch wel niet aan Zijne Excellentie zelf! De vernietigende inhoud, de felle vorm spreken er tegen. Zooals het stuk in klad voor ops ligt, kon het zonder meer ook niet worden overgeschreven; nooit is er sprake van Uwe Excellentie, altijd van Zijne Excellentie. Was het stuk misschien bestemd om aan de rechters te worden aangeboden, wanneer de Satisfactie-questie eene rechtszaak zou zijn- geworden ? Zoo deze veronderstelling de juiste zou zijn, vervalt de hiervoor geopperde dateering. Het stuk zou dan pas na 29 Juli opgesteld kunnen zijn, daar de Staten op dien datum besloten den gerechtelijken weg in te slaan. Om „de selve saeck te beleyden ende te vorderen voor de Justitie", werd toen o.a. een afgevaardigde van Rotterdam (allicht de pensionaris?) gecommitteerd. Het stuk is gepubliceerd door Van Deventer in de Gedenkstukken, bl. 35, vl. en door hem — zonder toelichting — gedateerd 1581. De publicatie wordt door enkele onjuiste lezingen ontsierd.

3) Baerdesen had den Prins naar de Staten-vergadering vergezeld. Hiervoor bl. 38 en noot 1. Hij en Cant, misschien bijgestaan door Gerrit Jansz. Delft, zullen in de conferenties van begin April, de Amsterdamsche belangen voor den Prins bepleit hebben.-Slechts Vlooswyk, Van Campen en

Sluiten