Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieten souden." De Staten committeerden om de zaak „te beleyden [= voor het gerecht te brengen] ende te vorderen voor de Justitie, eene van Dordrecht, Delff, Rotterdam ende Alckmaer, met d'Advocaet Diert, midts dat in absentie van d'eene d'andere inde saecke sullen mogen procederen" 1).

De Prins berustte niet in deze afwijzing van zijne uitspraak. 25 Augustus 1580 leverde Nicolaas Bruynincx van zijnentwege eenige proposities aan de Staten over2), waarin de Prins in het vierde punt den wensch uitsprak dat „den Staeten van Hollant tot meerder eendracht vanden lande (zouden) I willen verstalen tot beslechtinghe van het principael different" I tusschen Amsterdam en de Staten „ende alsulcx aen (zouden) willen nemen den poincten ende articulen van vuytspraeck by Zyn Excellencie partyen respective overgesonden" 3).

Hoewel de Amsterdamsche regeering volhardde bij haar aanname van de uitspraak 4), bleef 's Prinsen poging vruchteloos. 16 September antwoordden de Staten aan Bruynincx: „Soe veel aengaet het different tusschen de Staten ende die van Amsterdam, sal de selve by wegen, van Justitie altijdt mogen werden gedecideert" 5).

Een nieuw conflict brak juist in deze,dagen tusschen de Staten en Amsterdam uit. Ondanks den tegenstand der groote koopstad werden sedert 7 September 1580 in een groot deel van Holland — krachtens een besluit van de meerderheid der Staten — binnenlandsche convooien geheven. Toen het bleek, dat Amsterdam weigerachtig bleef tot de convooiheffing over te gaan, lieten noch de Staten noch het Noorderkwartier, dat zelf het Staten-besluit dadelijk had uitgevoerd, het aan krachtige pogingen ontbreken om de stad tot toegeven

!) Res. St. v. Holl. 1580, bl. 159; 29 Juli. 2) Res. St. v. Holl. 1580, bl. 177: 25 Aug.

*) Res. Vr. No. 4, fpL 131 v°. — Dit vierde punt wordt niet vermeld in de Resoluties van de Staten van Holland, *) Res. Vr. No. 4, fol. 131 v»: 3 Sept. 1580. 6) Res. St. v. Holl. 1580, bl. 207: 16 Sept.

Sluiten