Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooren die generale middelen cohvoyen ende licenten staen verbonden off noch verbonden zullen worden oick behouden een yder zyn gerechticheyt daer op vercreghen" ]). Met dien laatsten wensch konden de Staten zich vereenigen; ze verklaarden 23 Maart „dat het selve sal zyn sonder verminderinge van de Ordonnantiën, last ende beloften van de Staten aireede verkregen, of als noch te verkrijgen'' 2).

Hoewel men uit de Staten-resoluties den indruk zou krijgen, dat 23 Maart tot dien eed besloten was, blijkt dat in geenen deele het geval geweest te zijn. In het najaar van 1581 Werd de questie opnieuw in de Staten behandeld. De meerderheid verklaarde zich toen bereid den eed „in den haren" te doen afleggen, hoewel enkelen „met reserven." Hoorn en Amsterdam weigerden. De Amsterdamsche gedeputeerden verklaarden „daer inne noyt geconsenteert te hebben, nochte als noch te consenteren" 3). In September 1582 was de zaak opnieuw aan de orde; de Staten wisten Amsterdam toen tot toegeven voor den tijd van een half jaar te bewegen door het afleggen van eene belofte betreffende de betaling van achterstallige renten op het gemeene land van Holland staande en vergoeding van door arresten geleden schade aan de Amsterdamsche burgers 4).

Aan de bezwaren, door de Vroedschap in Februari geopperd tegen het vijftiende lid van het derde punt, handelende over een voet van contributie, werd door de Staten gedeeltelijk tegemoet gekomen. In. het ontworpen artikel had gestaan, dat bij de vaststelling van dien vasten voet van contributie gelet zou worden „op den voet, gebruyckt voor den Oorlogh, ende daer by ghevoeght den Ommeslagh", op den voet van den

!) Res. Vr. No. 4, fol. 149: 15 Febr. 1581. 2) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 111: 23 Maart.

s) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 596 : 29 Nov. nam. — Res. Vr.No.4>fol. 180 v<>: 30 Oct. 1581.

") Res. St. v. Holl. 1582, bL 441: 13 Sept. — Res. Vr. No. 4, fol. 219 v°: 15 Sept. 1582.

Sluiten