Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afgenomen en afgelegd, om daarna den eed overal te doen vernieuwen. De afgevaardigden van Schiedam wilden van dat plan niet weten j ze bleven „by hare voorgaende Resolutie, dat geen veranderinge van Heeren of Eedt behoort gedaen te werden" 1). Die van- Gouda verklaarden zich ongelast; na genomen rapport op de resolutie over het gouvernement zouden ze op de eerstvolgende vergadering hun antwoord inbrengen. Amsterdam maakte zijn toestemming afhankelijk van het consent van Schiedam en Gouda en van de andere provincies2); „niet onwaarschijnlijk daarmede een voeglijk Uitstel bedoelende," zooals Kluit reeds terecht heeft opgemerkt 3).

In de Staten-Generaal, gelijktijdig met de Staten van Holland in Amsterdam vergaderd, werden juist in deze dagen de vragen besproken: 1. of men den Koning van Spanje voor vijand zou verklaren? 2. of men zijn naam verder nog in plakkaten of andere politieke zaken zou gebruiken, en of men de koninklijke zegels zou veranderen en op welke wijze4)? 6 Juni werd bepaald, dat de provincies „hunne opiniën by geschrifte" zouden moeten overbrengen5). De afgevaardigden van Brabant hadden toen reeds mondeling6) verklaard,

') Die resolutie van Schiedam staat bij geene der vroegere besprekingen in de Staten aangeteekend. 2) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 225 en 226 : 30 Mei.

8) Kluit: Staatsregering I, bl. 431.—„De andere provincies" waren Zeeland en Utrecht. — Denzelfden middag beloofden de gedeputeerden van Gouda en Schiedam Maandag a.s. (5 Juni) weer te zullen compareeren en rapport uit te zullen brengen over 's Prinsen gouvernement „reguard nemende dat daer by de Souverainiteyt van den selven Lande niet en wert overgedragen." Ze hadden dus bezwaar tegen het afnemen en afleggen van een nieuwen eed aan den- Prins, daar zoo de schijn gewekt kon worden, dat men hem de souvereiniteit opdroeg, terwijl de Staten-Generaal den koning van Spanje nog niet hadden afgezworen en met Anjou onderhandelden.

4) Res. St. v. Holl. 1581, bl. 250 : 6 Juni.

5) Res. St.-Gen., Hl, bl. 277: No. 142.

6) In de vergadering der Staten van Holland dato 6 Juni werd hunne verklaring reeds besproken, terwijl hunne schriftelijke opinie pas van 8

Sluiten